Syrische jongeren zijn niet zo goed opgeleid

Financier onderwijs in de regio. Dan kunnen Syrische jongeren hun land weer opbouwen, zegt hulporganisatie Spark.

Bewoners van azc Heumensoord

Eenderde van de Syrische vluchtelingen is academisch opgeleid volgens Gerard Bakker, voorzitter van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA), maar hun diploma’s sluiten zelden aan op het Nederlandse onderwijs. 

Dat merkte de Nederlandse hulporganisatie Spark toen ze namens de Nederlandse overheid dertig studiebeurzen uitloofde voor Syriërs die door de oorlog niet in eigen land konden studeren. Er kwamen achthonderd aanvragen binnen, waarvan er honderd in aanmerking kwamen voor verdere behandeling. Uiteindelijk konden slechts dertien Syriërs naar het Nederlandse hoger onderwijs. De rest viel af; ze haalden de taaltest Engels niet of zakten voor de Graduate Management Admission Test (GMAT), voor elementaire wiskundige en analytische vaardigheden.

Spark adviseerde het overige geld te besteden aan studiebeurzen voor de universiteit van Gaziantep, Zuid-Turkije. Voor de ‘prijs’ van een student in Nederland kun je daar zeven Syrische vluchtelingen helpen met huisvesting, eten en studiemateriaal.

Verblijfsvergunning

Albert de Voogd is verantwoordelijk voor de studentenbegeleiding bij de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF. Hij heeft geregeld te maken met Syrische vluchtelingen, vooral jonge mannen die hier een opleiding willen volgen. De Voogd interpreteert „hoogopgeleid” bij hen als „geschikt voor hoger onderwijs”.

Ze hebben minimaal Syrisch voorbereidend wetenschappelijk onderwijs doorlopen. „Veel Syriërs denken dat ze goed Engels spreken en goed communiceren”, zegt De Voogd. „Op andere taalaspecten – schrift, begrijpend lezen – scoren ze minder.”

Universiteiten en hogescholen kunnen de onderwijsvraag aan. De Voogd schat dat zo’n 3 procent van de eerstejaars komende jaren een vluchtelingenachtergrond heeft. Dat zijn er ongeveer 4.500.

Diploma’s en certificaten

Het is nog wel een karwei om de daarvoor geschikte Syriërs in het hoger onderwijs te krijgen. Een verblijfsvergunning krijgen kost tijd. Als ze de status hebben, ontvangen ze een zogeheten Kennisgeving Inburgeringsplicht van de Dienst Uitvoering Onderwijs. Daarna kunnen ze hun diploma’s of andere certificaten naar het Nuffic sturen, de organisatie voor internationale universitaire samenwerking. Binnen een maand krijgen ze een officiële verklaring over hun onderwijsniveau. En dan kost het volgens De Voogd nog gemiddeld twee jaar voor ze met een studie kunnen beginnen. Ze moeten het taalexamen Nederlands halen, diploma’s moeten worden aangevuld. Rechtstreeks instromen in een Engelstalige master is zelden mogelijk.

Om vluchtelingen sneller aan de slag te krijgen, bepleiten het UAF met het COA, universiteiten en hogescholen en het Nuffic om studeren met een uitkering mogelijk te maken. De Tweede Kamer nam al een motie van D66 en SP aan die onderzoek bepleitte om diploma’s van vluchtelingen hoger aan te slaan, zodat ze eerder op hun niveau actief kunnen worden. Het bedrijfsleven bood dertig vluchtelingen een ICT-opleiding aan.

Ook achtergrond speelt een rol

Gemakkelijk is het voor een vluchteling dus niet om aan een opleiding te beginnen. De Voogd: „Ook diens achtergrond speelt een rol. En dan valt bij de studiekeuze een aantal richtingen af. Voor wie moeite heeft met taal, is de zorg geen optie, omdat je daar goed moet kunnen communiceren. Meestal komt emigratie neer op demotie, blijkt uit onderzoek. Mensen moeten op een lager niveau werken dan ze in hun herkomstland gewend waren. Pas in de derde generatie is het effect meestal weg.”

Volgens het CBS zit zes op de tien Syriërs in Nederland in de bijstand. Dat is na de Somaliërs het hoogste percentage. Het gaat volgens het CBS vooral om voormalige asielzoekers die qua taal en opleiding op grote afstand van de arbeidsmarkt staan.

Volgens Yannick Du Pont, directeur van Spark, moet er meer geld naar hoger onderwijs in de regio van de vluchtelingen. Daar verlangen die jonge mannen met goede vooropleidingen naar. Hoger onderwijs is er goedkoper, sluit beter aan bij de taal en de diploma’s en de meeste vluchtelingen blijven nu eenmaal dicht bij hun land omdat ze geen geld hebben om naar het Westen te reizen. Als ze bij hun land in de buurt blijven, kunnen ze het met de verworven kennis straks ook weer opbouwen.

Spark, gespecialiseerd in hoger onderwijs in en rond conflictgebieden, werkt onder meer in Zuid-Turkije, Libanon, Iraaks Koerdistan en Jordanië. De organisatie heeft zelfs projecten in Aleppo, Homs en Daraa. Ze wordt voor 70 procent gefinancierd door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, en verder door Zweden, Denemarken, luchtvaartmaatschappij Virgin Air, energiebedrijf Chevron, afhankelijk van het project.

Du Pont licht toe: „Je bent jong en je wilt een horizon hebben. Je wilt niet werkloos in steden rondhangen. Als ze daar geen opleiding krijgen, komen ze hierheen. In een van onze focusgroepen was zelfs een jonge, goed opgeleide Syriër die 3.000 euro per maand verdient bij een niet-gouvernementele organisatie. Hij zegt dat hij weg wil als hij geen opleiding kan volgen.” Met de universiteit van Gaziantep heeft Spark een overeenkomst gesloten waarbij honderden studenten schoolgeld, een slaapplaats en drie maaltijden per dag krijgen.

„De Nederlandse discussie is erg gepolariseerd”, zegt Du Pont. „Rechts wil de grenzen sluiten, links de grenzen openen, maar je kunt het beste pragmatisch zijn. Als je niet investeert in hoger onderwijs daar, komen er nog meer jonge mannen hier en blijven de armen daar over.”