Waar willen jullie eigenlijk liggen?

Waarom zou je pas een graf uitzoeken als je ouders sterven? Gemma Venhuizen trok met haar nog kipfitte vader en moeder het land door op zoek naar een mooie plek. Pink Floyd in de auto, kroketten bij De Rustende Jager.

Hillig Meer, in het bos van de Hondsrug in Drenthe

Het ruikt hier wel lekker”, zei mijn moeder. „Een beetje naar Scandinavië.” We liepen onder hoge dennen door, de muggen staken door mijn panty heen. „Wat ik wel gek vind”, zei mijn vader, wijzend op een opgeworpen hoop aarde, „is dat je hier ook je hond mag uitlaten. Wat als-ie nou opeens een bot opgraaft?”

De bomen langs het pad werden geleidelijk lager; opeens stonden we op een lichte open vlakte. Recht voor ons lag een meer, een eiland in het midden. Langs de oever groeiden lisdodden en wilgenroosjes. Links van ons lag een zwerfkei. Mijn vader maakte een foto. „Mooie plek. Ik wil er haast nu al liggen...’

De afgelopen week ben ik bezig geweest met de begrafenis van mijn ouders. En om twee dingen ben ik heel blij. 1: Mijn ouders leven nog. 2: Ze verkeren in goede gezondheid, en hun overlijdensdatum is hopelijk ver weg. Maar dat ze ooit doodgaan, is zeker.

Een gegeven waar ik altijd zo min mogelijk over wilde praten of nadenken. Maar onbewust bleef het knagen. Want stel nou dat mijn ouders van de ene op de andere dag zouden wegvallen... Ik zou niet weten wat ik moest doen. In emotionele én in praktische zin.

„Mama, wat gebeurt er met mij als jullie doodgaan?” vroeg ik op mijn zevende, net na het overlijden van mijn oma. „Dan ga je bij je oom en tante wonen”, antwoordde mijn moeder. „Oh leuk!” riep ik direct. „Mag ik daar niet nu al wonen?”

Daarna kwam het onderwerp nog weleens ter sprake. Mijn moeder die bij een mooie tango zei: ‘Die zou je op mijn uitvaart mogen spelen.’ Mijn vader die half grappend opmerkte dat hij nieuwsgierig was naar de toespraak die ik op zijn begrafenis zou houden. Verder zwegen we erover.

Totdat, kort na elkaar, opeens de moeder van een dierbare vriendin, de vader van een vriend en een oom overleden. Plotseling voelde het onvermijdelijke einde van mijn eigen ouders heel reëel – en besefte ik tegelijk dat naast verdriet ook gedoe komt kijken. Dat je, te midden van de ontreddering, knopen moet doorhakken over rouwkaarten, kisten, de kleding waarmee je dierbare onder de grond verdwijnt.

Van de vriend hoorde ik hoe ze zijn vader gecremeerd hadden en dat pas naderhand uit een document op de computer bleek dat hij begraven wilde worden. Wat mijn ouders wilden? Geen idee.

Ik begon erover boven de erwtensoep. Mijn vader reageerde luchtig: „Mij maakt het weinig uit waar ik terechtkom. Dood is dood.” Mijn moeder zei dat ze het wel mooi zou vinden als haar as werd uitgestrooid in de Spaanse bergen, bij hun vakantiehuisje. „Dat vind ik te ver”, protesteerde ik.

Van daaruit kwamen we te spreken over natuurbegraafplaatsen. Niet te veel opsmuk, back to basic. Mijn vader pakte zijn iPad erbij en begon te googelen. Niet veel later liet hij een foto zien van een door wilgenroosjes omzoomd meer. „Hillig Meer, in Drenthe. Dat lijkt me wel wat.” „En niet duur” zei mijn moeder. „Voor 3.500 heb je al een graf met eeuwig grafrecht.”

Die avond ontstond ons plan. We zouden in één week vier verschillende begraafplaatsen bezoeken. Hillig Meer, natuurbegraafplaats Heidepol op de Veluwe en – dichter bij huis – begraafplaats en crematorium Westerveld en de Algemene Begraafplaats in Bloemendaal.

Het motregende toen we op Hillig Meer aankwamen. „Hoe moet dat met die onverharde paden?” vroeg mijn moeder zich af. „Stel dat jij eerder overlijdt dan ik, en ik slecht ter been ben, dan wil ik ook bij je langs kunnen.” „Ach”, antwoordde mijn vader, „met een goede rolstoel lukt dat wel.” Het was een fijne plek om rond te wandelen. Niet te aangeharkt, zwerfkeien als grafstenen. Wel uitgestorven. Ik probeerde me er een voorstelling van te maken hoe ik hier, in de toekomst, in mijn eentje de graven van mijn ouders zou bezoeken. Hoe ik met de auto vanuit de Randstad hierheen zou rijden, met een geërfde cd op vol volume om in de stemming te komen. Opeens barstte ik in tranen uit. „Ik wil niet dat jullie in Drenthe komen te liggen”, zei ik. „Ik wil jullie dichtbij hebben.” We liepen naar de auto en aten een broodje kroket bij Herberg De Rustende Jager. Tijdens de drie uur durende autorit naar huis luisterden we Pink Floyd.

Na Hillig Meer besloten we Heidepol even te laten rusten en ons op bekend terrein te begeven: op begraafplaats Westerveld, tegen de duinrand aan, lagen al diverse familieleden. Een mooie, natuurlijk ogende plek, met zingende vogels en bemoste eiken. De urnenmuren vond ik te benauwend. Als mijn ouders toch gecremeerd wilden worden, dan verstrooide ik liever de as. „Dat kan op landgoed Leyduin, vlak bij ons huis”, zei mijn moeder. „De verstrooiing zelf kost maar 250 euro en dat bedrag komt nog ten goede aan natuurgebieden ook.”

Mijn vader had voorafgaand aan ons Westerveld-bezoek zijn iPad er weer bijgepakt en nu, lopend over de begraafplaats, declameerde hij de prijzen. „Eeuwige grafrust is hier een stuk duurder. Minstens 8.440 euro per persoon. Een graf voor twintig jaar heb je vanaf 1.630 euro. Dus dan moet je ons na twintig jaar maar laten opgraven.” „Zo’n graf onderhouden is veel gedoe”, viel mijn moeder hem bij. „Ik wil niet dat je je verplicht voelt steeds te komen om onkruid te verwijderen. Je kunt onze lichamen ook aan de wetenschap doneren. Dat is gratis.” „Daar is voorlopig een wachtlijst voor”, zei mijn vader. „Dat las ik in de krant. Te veel gegadigden.”

Het gesprek werd onderbroken door mijn telefoon. Een vriendin vroeg per sms hoe ons uitvaart-uitje verliep. Opeens voelde ik me vreselijk misplaatst, springlevend tussen de doden. Op de terugweg fietsten we langs de Algemene Begraafplaats in Bloemendaal, omdat we ons afvroegen of je op zo’n gemeentelijke begraafplaats ook als niet-inwoner ter aarde mag worden besteld. „Geen probleem”, zei de beheerder. „Sinds een jaar of acht mag iedereen op een begraafplaats naar keuze worden begraven – zowel gemeentelijk als particulier.” Mijn vader fluisterde: „Een graf voor onbepaalde tijd kost hier maar 3.641,40 euro.” Er kwam dan nog wel ruim 1.400 euro bij voor algemeen onderhoud.”

Die avond liepen we over landgoed Leyduin. De paden lagen vol knisperend blad, de zon scheen oranjerood door de bomen. Maar de normaal zo heerlijke herfstgeur deed nu alleen denken aan verrotting. Opeens snapte ik de woorden van mijn vader: dood is dood. Ik had verwacht dat een begraafplaatstournee soelaas zou bieden, dat ik me in zekere zin geestelijk kon voorbereiden op de dood van mijn ouders als ik maar wist waar ze later komen te liggen. Alleen: er is simpelweg geen perfecte oplossing. Elke uitvaartoptie heeft zijn eigen voordelen – veel ruimte, weinig onderhoud, dichtbij, goedkoop – maar leuk wordt het nooit. Toch had onze tournee nut, besefte ik terwijl ik onder de beukenbomen liep, tussen mijn ouders in. Onze openhartige gesprekken over leven en dood hebben mijn ouders en mij, voor zo lang het duurt, alleen maar dichter bij elkaar gebracht.