Column

‘t Allerbelangrijkst: het huis in stand houden

Eén van de mooie dingen van pottenbakken is, dat je gebaren herhaalt die al zo lang door mensen gemaakt zijn, schrijft Edmund de Waal in zijn nieuwe boek De witte weg. Dat vertelde een collega die het boek al gelezen had. Hij, de collega, vond dat ook wel een mooi idee. Tegelijkertijd dacht hij dat je daar eigenlijk niet speciaal voor hoefde pottenbakken. Mensen snijden al eeuwenlang brood, kammen hun haar, wassen hun gezicht. Alleen doen we daar niet zo hooggestemd over.

Hij had gelijk en niet gelijk vond ik. Weliswaar sta je bij de al te dagelijkse dingen niet stil, die zijn te versleten, te onopmerkelijk in hun dagelijksheid. Maar áls je er stil bij zou staan dan zou je jezelf misschien wel weer in een groter en zinvoller verband voelen staan.

Ik dacht aan een gedicht van Ida Gerhardt, Archaïsche grafsteen heet het. Daarin beweert ze dat ergens in een ‘verscholen thijmdal’ een Grieks grafschrift te lezen is op een stèle. Een man heeft die opgericht voor zijn vrouw: „Zij heeft het brood gebakken,/ zij heeft de wol gesponnen,/ het huis in stand gehouden”. Het zijn simpele dingen, maar die eenvoudige handelingen, brood bakken, wol spinnen, die deden het allerbelangrijkste: het huis in stand houden.

Ik vind het een ongemeen ontroerend gedicht – net als de wetenschap trouwens dat de grafschriftregels van een Romeinse steen komen, maar dat Gerhardt ze in een Griekse context geplaatst heeft. Ze heeft ze dus ouder, archaïscher gemaakt en op die manier reiken ze nog verder het verleden in en geven ze aan de handelingen van de vrouw een nog groter belang.

Gerhardt is sowieso een dichter die in haar strenge klassieke verzen betekenis geeft aan elke handeling. „Ik houd het linnen blank. Maar als ik in de laden/ de geurige stapels strakker schik,/ treedt Gij soms achter mij.” Deze ‘Gij’ blijft onbenoemd, maar het woord ‘genade’ valt en ook ‘Uw trouw’ – het is wel duidelijk dat het werk voor haar in een andere glans staat dan alleen dat van dagelijks tobben.

Ooit heb ik met bewondering geluisterd naar hoe Roger Scruton in gesprek met Wim Kayzer in diens serie Van de schoonheid en de troost sprak over het huwelijk. Het kwam erop neer dat Scruton zei dat binnen een huwelijk alles betekenis krijgt, ook eenvoudige klusjes als het doen van de afwas. Omdat je die doet binnen het met elkaar afgesproken en geheiligde verband. Ja ik geloof wel dat hij het woord ‘heiligen’ daarbij gebruikte. Want daar gaat het natuurlijk om. Dit zich bewust zijn van een verband, is een manier om het alledaagse te heiligen. Hoe onheilig de dagelijkse troep er vaak ook uitziet.

Helen MacDonald, de vrouw die een boek schreef over hoe ze een valk trainde en tegelijkertijd haar rouw om haar vaders dood doorleefde, vertelde in een interview dat haar valk soms minutenlang haar blik fixeerde op een glimp zonlicht op de muur. „Die concentratie op iets heel kleins maakt de wereld weer groter voor me.” Ja, ook dat is een wijsheid van eeuwen – alle mystici doen zulk soort oefeningen: zelfvergeten aandacht voor wat buiten je is. Voor wat je doet, voor wat er gedaan moet worden, en voor de schoonheid van gebaren die al eeuwen gemaakt worden en die ons verbinden met de mensen die ooit leefden, en met hen die zullen leven.

„De wind beweegt, de bijen/ zoemen de stilte stiller; / zij arbeiden, zij fluisteren:/ ‘het huis in stand gehouden,/ het huis in stand gehouden’.”