Stroom uit getijden: schoon én duur

Bij de Oosterscheldekering wordt gebouwd aan een installatie die straks ruim duizend huishouders van getijdenstroom moet voorzien. Maar dit proefproject is erg duur en de vraag is: hoe kan het goedkoper?

Deze turbines aan de Oosterscheldekering wekken straks elektriciteit op uit de werking van de getijden. Ze worden binnen een paar weken in gebruik genomen.

Het water kolkt met 5 meter per seconde langs de pijlers de Oosterschelde binnen. Bij vloed richting land. Bij eb richting zee. Met een bijna volledige voorspelbaarheid.

Daarom is de acht kilometer lange kering in de Oosterschelde de ideale plaats om elektriciteit op te wekken uit de werking van de getijden. „Nergens is de stroom zo groot, in zo’n gecontroleerde omgeving”, zegt Hans van Breugel, directeur van turbinebouwer Tocardo.

We lopen op de betonnen strook die de schuiven van de waterkering verbindt. Boven ons dendert de weg van Schouwen-Duivenland naar Noord-Beverland. In de diepte raast het water. Werklui met zwemvesten om leggen de laatste hand aan de getijdencentrale die over een paar weken gaat draaien. Dan gaan de vijf turbines het water in en wordt de eerste stroom opgewekt. Over een half jaar moet de hele installatie zijn afgerond en de centrale constant stroom leveren aan het elektriciteitsnet. De turbines hebben nu met elkaar een vermogen van 1,2 megawatt (MW), voldoende voor ruim duizend huishoudens.

Op termijn zouden er minstens twintig van dit soort installaties kunnen worden opgehangen in de Oosterschelde. En wellicht later ook nog in de Grevelingendam. Wereldwijd zijn er vier delta’s die op Nederland lijken. Van Breugel ziet een grote toekomst voor zijn turbines, als exportproduct. „Getijdenenergie is een schone en betrouwbare energiebron die in minstens 10 procent van de wereldbehoefte aan elektriciteit kan voorzien”.

Minister Kamp (Economische Zaken, VVD) prees het proefproject onlangs in het tv-programma Buitenhof. Wat de firma Huisman, groot aandeelhouder van Tocardo, doet is de toekomst, betoogde hij. Innovatieve, duurzame, maakindustrie waarmee Nederland de wereld kan veroveren. Over de kosten van deze duurzame energieopwekking, zweeg hij wijselijk.

‘Volgepropt’ met elektronica

Eb en vloed is simpel en zo oud als de wereld, maar commercieel stroom opwekken uit deze beweging vereist even ingenieuze als innovatieve techniek. De 50 meterlange dwarsverbinding waar de turbines aanhangen, zit „volgepropt” met elektronica, legt Van Breugel uit. Niet alleen voor de productie van elektriciteit, maar vooral om zoveel mogelijk data te verzamelen. Het proefproject in de Oosterschelde is namelijk peperduur en de grote vraag is: hoe kan dit goedkoper?

Want als dat niet lukt, is het einde oefening. Joop Roodenburg, technische topman van het Schiedamse familiebedrijf Huisman maakt er geen geheim van. „Als ik van tevoren geweten had wat het ging kosten, had ik er nog een paar nachtjes over geslapen.”

De getijdencentrale heeft 12 miljoen euro gekost. Daarvan komt 8 miljoen voor rekening van Huisman – twee keer zoveel als begroot – 4 miljoen komt uit een Europese subsidiepot. En om die laatste zeker te stellen heeft het bedrijf halsbrekende toeren moeten uithalen. De subsidie zou namelijk eind dit jaar verlopen en het werkseizoen zou op 1 oktober voorbij zijn. Daarna is het ‘stormseizoen’ en mag er niet meer aan de dam gewerkt worden.

Het werd een race tegen de klok. Eind september is het gevaarte van 50 meter bij 20 meter op zijn plaats gehangen tussen de pijlers. „Bloedspannend” was dat geweest want er was tussen eb en vloed precies twintig minuten tijd geweest om de constructie te bevestigen. De eerste dag lukte dat net niet, de tweede wel.

Roodenburg houdt van technische uitdagingen. Zijn bedrijf staat er wereldwijd om bekend. Maar dit gaat hij niet nog een keer doen, „tenzij de kosten ongeveer de helft naar beneden kunnen”. Dat moet vooral uit de techniek komen. Op de afdeling Engineering van Huisman wordt al druk gewerkt aan verbeteringen.

Maar er is ook meer subsidie nodig. Roodenburg eist voor zijn getijdencentrale dezelfde kansen als windparken op zee. Binnen de systematiek van de subsidie voor duurzame energie (SDE) zou dat betekenen dat de getijdencentrale een beschermde status zou krijgen, net als wind-op-zee. Nu heeft Huisman uit de subsidiepot een bedrag weten te peuteren van 8 cent per kilowattuur. Terwijl het, volgens het bedrijf, minstens 18 cent zou moeten zijn. Ook Roodenburg noemt de voorspelbaarheid van de opbrengst uit de getijdencentrale – tegenover de minder voorspelbare productie van windmolens op zee – het belangrijkste argument.

De minister geeft niet thuis

Maar minister Kamp voelt daar, ondanks alle lof voor het project, niks voor. In de Tweede Kamer betoogde hij onlangs dat er voor Huisman voldoende subsidiemogelijkheden bestaan.

De Oosterscheldekering is de trots van waterbouwkundigen en andere ingenieurs. Het water is getemd en straks gaat de kering nog duurzame energie opleveren ook. Toch zijn er ook zorgen. Waterbouwkundig ingenieur Tjerk Zitman (TU Delft) vraagt zich af wat de gevolgen zullen zijn voor het natuurlijk evenwicht in het kwetsbare gebied. „Duurzaamheid gaat niet alleen om vermindering van CO2- uitstoot”, betoogt hij. Door de veranderende waterstroom zullen slikken en schorren worden aangetast.

Ook is er zorg over vissen en zeehonden in het gebied, als de turbines als windmolentjes onder water gaan draaien. Worden ze niet vermalen tussen de turbines? Maar dat wijst turbinebouwer Van Breugel resoluut van de hand. „Daarvoor draaien de turbines te langzaam. Vissen en zeehonden kunnen er vrij door. Die zeehonden zullen de turbines straks juist als speeltjes zien.”