Soms een grappige mopperkont, maar ook liefdevolle columns

Jean Pierre Rawie kan eigenlijk niet bestaan. De twee hoofdkenmerken van zijn werk, ironie en romantiek, behoren namelijk niet samen te gaan. De romanticus heeft verheven ideeën over schoonheid en kunst; daar past de knipoog niet bij. Dat deze ogenschijnlijk wat wereldvreemde, gesoigneerde, tijdloze figuur iets banaals heeft als een column, is even slikken. Maar de schoorsteen moet roken, en jong sterven zit er, zoals hij zelf al vaststelde, niet meer in. Daar doet het feit dat Mijn ouders hadden één kind en een dochter een mooi verzorgde uitgave is niets aan af. Er valt veel te lachen – dat wil zeggen: beschaafd gniffelen – om deze stukken. Want geestig is Rawie zeker, zolang hij zich althans niet te veel bezondigt aan woordspelingen. In overwegingen over het koningshuis, religie en de actualiteit, betoont hij zich een klassieke mopperkont, zo iemand die een hekel heeft aan sport, maar er wel net genoeg vanaf weet om de lachers op zijn hand te krijgen: ‘Die invaliden zitten altijd al in het verdomhoekje – ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de Olympische scherpschutter Pistorius’.

Maar mooier wordt het wanneer hij schrijft over mensen die hem bezielen. Dat levert ontroerende portretten op. Weg is de mopperkont. Met liefdevolle blik vertelt Rawie over wat hem raakt. Zo nu dan komt hij zelfs in de buurt van de ‘verkapte autobiografie’ die hij de lezer in de inleiding belooft. ‘Kind zijn deed ik met tegenzin’ of ‘Ik lieg al jaren niet meer’. Beginzinnetjes waarvan je hoopt dat ze de opmaat zullen vormen van een pagina’s lang herinneren. Hoe persoonlijker, des te meer Rawie op dreef is. Dan is het jammer dat de ruimte na twee bladzijden al weer op was, waarbij de laatste zinnen overigens vaak minder sterk zijn dan de eerste.