Jazz International Rotterdam bevestigt status als kwalitatief hoogwaardig festival

Jazzvocalist Kurt Elling afgelopen zaterdag tijdens Jazz International Rotterdam in LantarenVensterFoto Andreas Terlaak

Opgezet in het licht van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001 heeft het festival Jazz International Rotterdam in vijftien jaar zijn naam bestendigd met een jaarlijkse driedaagse voor kwalitatief hoogwaardige en avontuurlijke jazz. Na diverse locaties, zoals De Doelen, huist het festival al weer een paar jaar in muziek- en filmhuis LantarenVenster op de Wilhelminapier. Daar geldt, met concerten in de grote concertzaal en een mooi sfeerverhogend podium in de lobby, eigenlijk maar één bezwaar: de kleine filmzaal die als concertzaal met artiesten krapjes onder het witte doek eigenlijk geen recht doet.

Aanvankelijk was het festival gebouwd rond de voorkeuren van één centrale artiest als artistiek leider. Van Rotterdamse smaakmakers ging het naar nationale jazznamen die het programma mochten aankleden, daarna werd het programma breder en werden internationale artiesten benoemd tot ‘hoofdgast’. Een leuk, goed werkend programmaonderdeel is nu ‘The Pack-project’; een compositieopdracht voor een ‘nieuwe maker’ die dat mag uitvoeren met musici naar keuze. Het jazztalent van dit jaar, saxofonist Jasper van Damme, had in zijn internationale band twee uitblinkers: de Britse trompettist Laura Jurd en de Amerikaanse drummer Tristan Renfrow, die inventieve invullingen had. Hoe schuchter Van Damme zichzelf ook aan zijn publiek presenteerde, zijn frismoderne composities spraken en zijn sound was licht, maar trefzeker.

Deze editie werd gedragen door de komst van de Amerikaanse jazzvocalist Kurt Elling met zijn kwintet. Met een zwierige versie van Joe Jacksons Steppin’ Out opende Elling, als altijd de gladde jazzdandy in een double brested kostuum die de boel achteloos cool en nonchalant volledig inpakte. Een verjazzte U2’s Where The Streets Have No Name was het visitekaartje van zijn nieuwe album Passion World, een drakerige en gezochte verzameling die draait om ‘passie’. Vreselijk natuurlijk zo’n cover, maar terwijl Elling de band ferm aanstuurde, liet hij er met bloemrijke scats en rants geen twijfel over bestaan dat hij de koning van de male jazzvoice is. Echt mooi was zijn eerbetoon aan de net overleden jazz-zanger Mark Murphy: een door Elling van woorden voorziene versie van Joe Zawinuls Time to Say Goodbye.

Saxofoons heersten dit jaar. Genieten was het van de gespierde vette sound van tenorsaxofonist James Brandon Lewis. De op een eindeloze groove leunende jazz met zijn trio was doorspekt van hiphopcitaten. Saxofoniste Marike van Dijk had een twaalfmansbezetting van strijkers, blazers, piano en ritmesectie om haar in New York gecomponeerde Stereography Project uit te voeren. De fraaie composities op het snijvlak van jazz en hedendaags gecomponeerde muziek kregen een bloedserieuze, nog wat statische invulling.

Een ware titanenstrijd leverde tenorsaxofonist Mark Turner met de trompettist Avishai Cohen. Waar Turner meesterlijk beheerst solo’s uitdiepte met herhalende delen, bracht Cohen de sensatie. De reactie van drummer Obed Calvaire bleek een goede graadmeter; hoe meer, hoe beter, met felle opgewonden respons. De echte ontdekking was het van plezier en funk spattende Jonathan Scales Fourchestra. Het vierde bandlid was een steelpan, die een nieuwe, swingende betekenis kreeg als improvisatie-instrument.