Harde opstelling tegen Koerden brengt Erdogan zege

President Erdogan heeft gegokt en gewonnen. Hij moet nu als de Turkse sterke man de toenemende chaos in het land aanpakken. Maar er zijn ook zorgen over autoritaire tendensen.

Aanhangers van president Erdogan gingen de straat op in Istanbul. Foto Deniz Toprak/EPA

Bang voor het oplaaiende geweld om hen heen zijn Turken terug in de armen gevlucht van de partij voor Gerechtigheid en Ontwikkeling (AKP) van president Tayyip Recep Erdogan. De AKP behaalde opnieuw een absolute meerderheid in het parlement. In Turkije maakt de komende jaren de AKP alleen de dienst uit.

De verkiezingen zondag waren een herhaling van de verkiezingen van 7 juni. Toen haalden vier partijen de kiesdrempel van 10 procent en verloor de AKP voor het eerst in dertien jaar de absolute meerderheid. Coalitiebesprekingen werden alleen voor de vorm gehouden. De AKP, waar Erdogan achter de schermen nog altijd de allesbepalende regisseur is, wilde de macht niet delen. Na 45 dagen werden, zoals grondwettelijk bepaald, nieuwe verkiezingen uitgeschreven. Daarbij heeft de AKP nu 316 van de 550 zetels gekregen, een comfortabele meerderheid.

In de vijf maanden tussen de twee verkiezingen is de situatie in het land verslechterd. In het zuidoosten wordt gevochten tussen de verboden Koerdische Arbeiderspartij PKK en de strijdkrachten. De terreurgroep Islamitische Staat (IS) heeft meerdere zelfmoordaanslagen gepleegd, waaronder in de hoofdstad Ankara, die 135 levens eisten. Televisiedebatten ontbraken, maar in plaats daarvan was op het nieuws te zien hoe tijdens de vele begrafenissen zware beschuldigingen aan het adres van politici werden geuit.

Tussen de twee verkiezingen werd het land geleid door een door de AKP gedomineerde interim-regering. Die trok zich weinig aan van haar beperkte mandaat en nam ingrijpende besluiten. Turkije sloot zich na lang aarzelen aan bij de internationale coalitie die IS bestrijdt in Syrië en Irak. Tegelijk verklaarde de regering de oorlog aan iedereen die ze als terrorist beschouwt en viel PKK-kampen in Irak aan.

Koerden rellen in Diyarbakir

De harde opstelling tegen de Koerdische militanten en tegen extreem-linkse terreurgroepen heeft met name ultranationalisten en Koerden naar de grootste partij gedreven. De winst van de AKP is ten koste gegaan van de ultranationalistische MHP, die ruim vier procentpunt verloor, en van de pro-Koerdische linkse HDP. Die heeft dit keer maar nipt de kiesdrempel gehaald. De partij komt met 59 afgevaardigden in het parlement. Dat is 21 minder dan na de verkiezingen in juni.

Dat is een forse tegenslag voor de partij die in juni haar grootste overwinning ooit boekte. In de grootste door Koerden gedomineerde stad Diyarbakir is verslagen en boos gereageerd. Jongeren staken vuilnisbakken in brand en gooiden stenen naar de politie. En in de Koerdische stad Nusaybin, aan de Syrische grens, waren enkele explosies, waarbij elf gewonden vielen.

Een groot deel van de achterban van de HDP geeft de AKP-regering en vooral president Erdogan de schuld van het opgelaaide geweld. Kiezers lijken de HDP echter zelf ook niet vrij te pleiten. „De boodschap van kiezers is dat de HDP de PKK meer op afstand moet zetten”, zegt Bülent Aydemir, een analist op CNN Türk.

Het opgelaaide geweld van de afgelopen maanden raakt aan de diepste angsten van de Turken. Na een lange wapenstilstand met de PKK was de angst terug dat de grote Koerdische minderheid zich wil afscheiden. De aanslagen door IS maken dat veel mensen zich afvragen of Turkije wordt meegezogen in de oorlog in Syrië.

De campagne van de AKP speelde naadloos op die gevoelens in. De partij beloofde vredigheid, zekerheid, stabiliteit en een keiharde aanpak van alle vormen van terrorisme. Die boodschap was overal te zien. In het straatbeeld kwamen andere partijen er met hun promotiemateriaal vrijwel niet tussen.

Angst voor zwakke coalitie

Daar kwam bij dat voorafgaand aan de verkiezingen vaststond dat de AKP opnieuw de grootste partij zou worden. De andere partijen zouden er hooguit in slagen de AKP tot een coalitie te dwingen. Dat was een weinig aantrekkelijk vooruitzicht voor veel kiezers. Die vreesden weer slepende onderhandelingen en een periode van politieke spanningen en chaos.

Coalities roepen bij kiezers associaties op met zwakke regeringen en instabiliteit. De vorige keer dat Turkije werd geregeerd door een coalitie, van 1999 tot 2002, viel dat samen met een zware financiële crisis. De drie partijen die regeerden haalden in de verkiezingen die daarop volgden geen van drieën de kiesdrempel van 10 procent. In plaats daarvan kreeg de AKP onder leiding van Erdogan bijna tweederde van de zetels. Dat vormde niet alleen het begin van een lange periode aan de macht, maar ook van een periode van ongekende economische groei en de opkomst van een nieuwe vrome islamitische middenklasse in Turkije. Die vormt nog altijd de kern van het electoraat van de AKP.

Vluchtelingendruk in de provincies. Turkije ontvangt naar schatting 2,1 miljoen vluchtelingen. Een minderheid woont in kampen, de rest in armoedige omstandigheden in het zuiden en grote steden.

De laatste jaren zijn de zorgen toegenomen over machtsmisbruik door de AKP en over verdere uitholling van de al gebrekkig functionerende democratie. Die thema’s speelden een grote rol in de vorige verkiezingen. De belangrijkste troefkaart van de HDP in die campagne was dat die partij, door in het parlement te komen, zou weten te voorkomen dat de macht van de president door de AKP zou worden vergroot. Een thema dat bij alle tegenstanders van Erdogan weerklank vindt.

Onder druk van terreur zijn die zorgen de afgelopen maanden naar de achtergrond gedrukt. Veiligheid gaat voor mensenrechten en persvrijheid. Daarmee heeft de AKP ruimte gekregen voor het volgende punt dat hoog op hun agenda staat: het invoeren van een presidentieel systeem. Een sterke leider als antwoord op het geweld en de chaos.