Column

Een Velpse fiets

De vriendin, het kind en ik stonden voor het gesloten hek van Kasteel Biljoen, het uit baksteen opgetrokken ‘buiten’ dat Karel van Gelre in de zestiende eeuw in Velp liet neerzetten. We kregen al snel gezelschap van een Velpenaar die hoestend van zijn elektrische fiets stapte.

„Het hek zit dicht”, zei hij. „Ik fietste voorbij en ik dacht: toch even zeggen dat het hek dicht zit. Het hek zit bijna altijd dicht.”

„Dus soms is het wel open?”, vroeg de vriendin.

„Ja”, zei de man, „maar vandaag niet. Anders was ik niet gestopt om te zeggen dat het hek dicht zit.”

Zo kende ik de inwoners van het dorp waar ik opgroeide. De overbodige mededeling, het voor iedereen te constateren feit, werd hier graag opgediend alsof ze je deelgenoot maakten van een groot geheim.

Voor de vriendin was het nieuw.

Toen we even later voor de gesloten spoorbomen op de weg naar het centrum stonden en daar gezelschap kregen van een ouder echtpaar waarvan de vrouw zei dat de slagbomen omlaag gingen als er een trein aan kwam en weer omhoog als de trein gepasseerd was, knikte ze beleefd.

Ze vond Velpse mensen lief.

Dat stadium was ik voorbij, daarvoor was ik te veel in Velp geweest. Bij de plaatselijke boekhandelaar kon je er mensen nog zinnen horen zeggen als ‘Ik zoek een boek!’ wanneer eigenaar Walter ze handenwrijvend begroette. Ze kochten een boek, maar wat ze zochten was een praatje.

We passeerden Kranenburg, de specialist in huishoudelijke elektronica. Daar mocht ik voor mijn verjaardag ooit een wekkerradio uitzoeken. Eerst dacht ik dat mijn vader me die dag inwijdde in een hogere vorm van humor, achteraf besef ik dat hij toen al volledig was ingeburgerd, want hij vroeg het echt: „Zoemt hij goed?”

„Waarom koop je hier geen fiets?”, zei de vriendin ter hoogte van Rijwielhandelaar Jansen, want ik moest nodig een nieuwe fiets. Ach, daar was de fietsenhandelaar al.

„De deur is open hoor”, zei hij over de deur waaruit hij naar buiten kwam. Stonden we daar, in Velp, tussen de nieuwste modellen uit China. Ik moest nu een vraag stellen, want hij bleef me maar behulpzaam aankijken.

„Zijn dat goede wielen?”, hoorde ik mezelf vragen.

Het antwoord was even Velps als de vraag. De rijwielhandelaar vertelde dat hij geopereerd was aan een ader in de hals en dat zijn dochter onderwijzeres was aan de basisschool waar ik op had gezeten. „We denken er nog even over na, over die fiets met die goede wielen”, zei ik.

„Toch bedankt voor het praatje”, zei hij.

Later, toen ik die fiets alsnog ging kopen, zei hij dat het mooi fietsweer was. „De lucht is blauw, dat is meestal zo als er geen wolken zijn.”