Een nieuw supertalent

Naar zijn debuut werd lang uitgekeken. Nu is het er. ‘Het failliet van de moderne tijd’ is een slim, gelaagd en verrassend pleidooi tegen leegte, decadentie en cynisme.

Foto Merlijn Doomernik

Wie Het failliet van de moderne tijd, de debuutvoorstelling van cabaretier Tim Fransen, heeft gezien, beseft meteen dat hij iets buitengewoons heeft meegemaakt.

Fransen is een debutant van 27 jaar, maar hij geeft een optreden dat je overvalt en inpakt, en je doet duizelen van de prikkelende ideeën, slimme grappen en van de intellectuele lagen die hij in zijn rol van praktiserend filosoof aandurft.

Ja, natuurlijk, zijn entree heeft ook trekken van een eersteling: het programma is overvol en mateloos. Maar dat is niet meer dan ingecalculeerde blikschade bij de ambitie, de lef en de overtuiging die Fransen etaleert. En dat overvoeren van het publiek heeft zijn charme. Laat maar komen die ideeën, denk je al gauw.

Naar het debuut van Fransen werd al reikhalzend uitgekeken sinds hij op verpletterende wijze in februari 2014 het Leids Cabaretfestival won. Toen bovendien bekend werd dat hij vlak daarvoor al had meegeschreven aan de oudejaarsconference van Theo Maassen, was duidelijk dat een supertalent zich had aangediend.

In Het failliet van de moderne tijd komt dat er allemaal uit. Het is een schitterend meanderende cabaretvoorstelling die duister is van gedachte, maar lichtvoetig van toon. Die verspringt van doordenkers naar snel scoren en van poëtisch naar flauwiteit, maar altijd diepgang houdt.

Filosofisch cabaret is een noviteit. En zoals Fransen het doet, had het wel eerder uitgevonden mogen worden. Na het wiskundig cabaret van Jan Beuving en Daan van Eijk en het natuurkundig cabaret van Vlaming Lieven Scheire is dit opnieuw cabaret waarin intellectueel prikkelende stof toegankelijk wordt gemaakt.

En hoe. Het is hoogst zeldzaam dat een debuut zo volgroeid klinkt. Als er hier tóch een reden is niet de hoogste waardering te geven aan de vijfsterrenvoorstelling die Fransen bedacht, dan is het dat hij zich nog moet ontwikkelen als performer. Zijn dictie mag soepeler en zijn voordracht kan dynamischer. Zelfs als hij zo helder klinkt als op de première, dan nog komt zijn manier van praten licht geforceerd over – als iemand die te veel of te weinig logopedie heeft gehad.

Fransen heeft zijn voorstelling geordend rond de vraag naar de zin van het bestaan. Een simpele kwestie, noemt hij het zelf, deze meest essentiële vraag van de mens en dus van de filosofie. Het begint ermee dat hij opkomt met een stapel boeken tot aan zijn kin. Soms leest hij een zin voor. Rousseau komt langs, Piketty, Fukuyama. Maar zijn leidsmannen zijn Camus en Nietzsche: filosofen die de fundamenten onder ons bestaan hebben weggeredeneerd. Zij zijn de reden dat wij, zoals Fransen zelf, tegenwoordig zo hevig op zoek zijn naar houvast.

Met kleine stapjes en groot retorisch vernuft leidt Fransen ons langs hun ideeën en langs de grote gebeurtenissen in hun leven. Als je die stukjes los zou knippen en achter elkaar zou leggen, hou je waarschijnlijk een vlotte hand out over. Maar Fransen is in de eerste plaats een cabaretier die zijn opvattingen en kennis verpakt in grappen. Zo is zijn vertelling ook gestructureerd: de filosofische passages zijn kort en in een regelmatig patroon verdeeld over zijn monoloog. Zelf grapt hij dat hij de methode van de kantiaanse dialectiek hanteert, met these en antithese.

Zorgvuldig waakt hij ervoor dat de toon licht blijft, door zijn filosofische lessen te koppelen en te laten overwoekeren door bizarre associaties, anekdotes en slimmigheden. Zo ziet hij het cynisme van deze tijd weerspiegeld in de boosaardige helden van populaire tv-series (Breaking Bad), die hij afzet tegen de positieve helden van zijn jeugd – om uit te komen bij het belachelijk maken van het tenue van Superman. Als het even kan haalt de grap de filosoof meteen onderuit. En het liefst duikt hij van cerebraal naar banaal, zoals wanneer hij Chopin speelt en dat laat overgaan in Hero van Mariah Carey.

Een ander voorbeeld van zo’n snelle overgang is wanneer hij Nietzsche en zijn bekendste uitspraak, ‘god is dood’, heeft geïntroduceerd. Nietzsche waarschuwde voor een spirituele leegte, zegt Fransen. En dan vervolgt hij: „Een leegte waarvan we nu weten dat hij heel handig wordt uitgebuit door Roy Donders.” Fransen is geen ironicus, zijn humor ontstaat uit het laten botsen van werelden.

Bij Fransen is het filosofische ook persoonlijk. Het hart van het programma is een zoektocht naar zingeving, naar een moraal, naar zichzelf. Eenzelvig is hij, vertelt hij. Of, zoals hij begin dit jaar in een interview met deze krant zei: „Ik houd sociaal contact af.” Die individualiteit en onafhankelijkheid spelen hem parten. Hij ziet ook aan zichzelf dat we misschien zijn aanbeland in het stadium van de laatste mens: iemand die leeft zonder grote hartstocht of ideologie, alleen zijn eigen behoeften wil bevredigen, cynisch, decadent en spiritueel leeg is.

Op zoek naar antwoorden die de filosofie niet geeft, maakt Fransen reizen. Onderweg komt hij tot het inzicht dat ergens voor staan, in gezamenlijkheid, het bestaan zin geeft. Solipsist en eenzaat Fransen beseft dat hij moet veranderen.

Die conclusie lijkt misschien niet wereldschokkend. Maar het is knap hoe Fransen je inpalmt en meeneemt in zijn pleidooi tegen de lege, cynische mens. Na de misantropische tocht langs zijn ondergangsfilosofen is deze uitkomst een waar feelgood-einde.

Tot slot maakt hij zijn voorstelling netjes rond, door terug te verwijzen naar zijn openingsscène over gelijkzwevende tonen, die alle even vals staan afgesteld, opdat ze samen een zuivere samenklank opleveren. Het is een mooie metafoor voor het wereldbeeld van Fransen: de mens is misschien imperfect, maar als we arm in arm optrekken, leeft de wereld toch in harmonie.