Column

Cultuursubsidies? Die regelt de Kamer zelf wel, via een motie

Leuk voor Oerol, leuk voor het Festival Oude Muziek: ze krijgen toch geld. Cinekid ook en de Nederlandse Dansdagen ook. Ze hoorden niet tot de culturele Basisinfrastructuur (BIS), de groep kunstinstellingen die het Rijk rechtstreeks subsidieert. Nu worden ze binnenboord getrokken via een motie van Kamerlid Monasch (PvdA), ook ondertekend door CDA, D66 en GroenLinks. Monasch’ partijgenoot, minister Bussemaker (Cultuur, PvdA) heeft toegezegd de motie ter harte te nemen. Het trouwe publiek dat door deze geliefde instellingen wordt bediend kan tevreden zijn.

Wie iets verder kijkt dan de korte termijn slaat de schrik om het hart. Deze motie trekt een zware wissel op de staatsondersteuning van de kunsten. Dat voor de aanvullende subsidies geen extra budget wordt uitgetrokken en dat die dus ten koste zullen gaan van andere culturele evenementen en instellingen, is nog het minste probleem. Ernstiger is dat met deze motie de BIS wordt aangevreten.

Een kleine 10 jaar geleden is de BIS ingesteld, met als doel een hoogwaardig cultureel aanbod te bevorderen en van continuïteit te verzekeren. De basis voor de BIS is dat de instellingen die gelden als het hart van de Nederlandse cultuur (de basis), verzekerd zijn van rijkssubsidie. De Raad voor Cultuur beslist over de hoogte van de subsidie en over wie daarbuiten nog subsidie verdient. De Kamer toetst de richting en de maatstaven, die de minister aangeeft.

De motie-Monasch ondergraaft deze constructie, die toch al onder druk staat door de bezuinigingen. Kunstinstellingen zouden gek zijn als ze deze opengezwaaide achterdeur niet zouden bestormen. Waarop alle vooroordelen die de BIS onderving weer worden bevestigd: kunstsubsidies zijn subjectief, afhankelijk van de waan van de dag en, als je kwaad wilt spreken, van handjeklap.

Met de motie-Monasch in de hand dreigt een toekomst waarin vele kunstinstellingen zich geroepen voelen een Kamerlid te charmeren opdat er via een motie subsidie wordt verkregen. Wie in Den Haag het beste de weg weet heeft de meeste kansen. Wie gerenommeerd is, en dus geliefd bij een achterban of goed voor extra publiciteit, ook. Vernieuwend en jong zijn onbekend en onbemind en staan in deze constructie op achterstand. Waarmee de Nederlandse kunst een stap naar mummificatie zet, want onbekend bij een groot publiek is het probate middel tegen verstarring en voor evolutie.

Al met al weten Oerol, Cinekid, Oude Muziek en Dansdagen nu dat ze in de periode 2017-2020 veilig in de BIS zitten. Alle anderen moeten uiterlijk februari 2016 hun plannen indienen om überhaupt subsidie te krijgen. Tenzij ze iets kunnen regelen.