Column

Centraal Station

Ik had al twee dagen de afwas niet gedaan, was weer begonnen met roken en had een nieuwe trui gekocht, met tijgerpatroon. Want als ik dan toch vervloekt was omdat mijn overgrootvader zichzelf met duivelse krachten kon veranderen in een tijger, kon ik daar net zo goed mijn voordeel mee doen. Ik deed juist een dutje in de zon op het balkon, met een boek liefdesbrieven van Gerard Reve, niet aan wel over Teigetje, toen hij belde, mijn vader. „Haai man!” riep hij. Hij zat ook in de zon. Voor Amsterdam Centraal, met een fles wijn. Dat klonk natuurlijk niet zo goed, hij in z’n eentje met een fles wijn voor Amsterdam Centraal, maar ik ging mee in de flow en was blij om hem te horen.

Ik probeerde hem al weken te bereiken. Ik had feiten nodig: hoe heette mijn overgrootvader? En waar is onze vervloekte plantage precies? „Ik moet je allemaal dingen vragen”, zei ik. „Dat is mooi”, zei hij, want hij moest mij van alles vertellen. We spraken de volgende dag af op Amsterdam Centraal, bij de piano.

Ik was tien minuten te laat, beken ik eerlijk. Mijn vader was nog nergens te zien. Een wonderkind met blonde staartjes speelde de soundtrack van Amélie Poulain. Ze kreeg een daverend applaus. Daarna kwam haar broertje. Ook uitmuntend, doch minder schattig, dus zonder applaus. Toen een nerd met de tune van Back to the Future. En toen stond ik alweer dertig minuten te wachten. Ik stuurde een berichtje. Hoorde niks. Belde, sprak een voicemail in. Stuurde nog een berichtje. Sprak nog een voicemail in, een boze. En toen nog een, kwaad. Want ik stond daar maar, boze voicemails in te spreken, als een buitenvrouw.

Ik belde mijn moeder. „Jaaa”, zei ze, „zo gaat je vader om met zijn prinsessen.” Waar ik nog bozer van werd, want ik ben geen prinses, ik ben zijn kind. Als hier iemand hard to get mag spelen dan ben ik het.

Na vijf dagen silent treatment besloot ik hem toch maar te bellen. Misschien had hij een ongeluk gehad? Dit keer nam hij op: „Haai”, zei hij. „Hallo”, zei ik. „Waar was je?” „O”, zei hij, „vergeten.” We maakten een nieuwe afspraak. Om misverstanden te voorkomen zou ik bellen als ik op het station een kaartje kocht. Ik kreeg meteen zijn voicemail. En gaf op.

Wilden mijn voorouders hun geheimen geheim houden? Was het de wintivloek? „Onzin, vloeken bestaan niet”, zei mijn moeder, terwijl mijn YouTube afspeellijst op onverklaarbare wijze overging in de grootste hits van Al Bano en Romina Power, het Italiaanse zangduo wiens dochter in 1994 onder mysterieuze omstandigheden verdween in voodoostad New Orleans.

’s Avonds gaf ik een workshop aan de deelnemers van een schrijfwedstrijd, Ellen Deckwitz, dichter en columnist, zat in de jury. Ellen Deckwitz is een engel. Ze vroeg hoe het stond met Suriname. Ik zei dat ik vreesde voor een wintivloek. Volgens Ellen had ik last van een protestantse maagd in mijn hoofd. Die hebben we nou eenmaal, als Nederlanders, zij ook. Maar ze had een plan.

Een week later troffen we elkaar op station Almere Oostvaarders. Ellen had de route uitgezocht. Het was tien minuten lopen naar haar vriendin, de voodoopriesteres. De eerste straat die we overstaken heette ‘De Evenaar’.