Column

Wij, Duitsers

Er is geen plek in Nederland waar geluk zo explosief wordt als in de Kuip. De bekerzege tegen Ajax illustreerde verpletterend geluk, in bijna dierlijke extase. De oerkreet van Dirk Kuijt bijvoorbeeld had de klank en vorm van prehistorie. Schreeuwerig geluk maakt de mens meestal niet mooier, maar het shirt van Feyenoord duwt de lelijke grimassen weg. Het verheft lelijkheid tot het weer schoonheid wordt.

Er was woensdag sprake van een echte klassieker, zij het dat het om een bekerduel ging. Er werd geploeterd bij het leven, maar de hitte van de wedstrijd was authentiek ouderwets. Veel meer dan vuur en vlam heeft het Nederlandse voetbal trouwens niet te bieden. Er zit meer ballet in een partij rugby dan in de hele eredivisie. Alle topclubs spelen nu werkvoetbal. Stilisten komen van buiten de grenzen – voor even dan.

Gevoelens van ontroering en euforie ontstaan na het laatste fluitsignaal, in dolle vreugde of radeloosheid. Het hysterische geluk van Dirk Kuijt, de danspasjes van Gio van Bronckhorst, de grijns vol vredigheid van Jan Wouters en de betraande tifosi die in elkaars armen lagen – het leek een buitenaardse viering. Het wonder van Nederlandse competities is dat de afwezigheid van oogstrelend voetbal geen rem zet op de losgeslagen vreugde om de overwinning. Niet in Rotterdam, niet in Amsterdam. Vervoering ontstaat uit het resultaat, niet uit de schoonheid van het spel. Primitiever kan nauwelijks.

We zijn allemaal Duitsers geworden.

Rotterdam blijft de eerste voetbalstad van Nederland. Nergens is gras zo sacraal als in de Kuip, nergens is wedstrijdbeleving inniger dan in Rotterdam, nergens wordt voetbal zo onherroepelijk een kwestie van leven en dood. Slecht voetbal, dat wel, maar nog altijd op de vleugels van historiciteit. Als Feyenoord speelt, denk ik er onwillekeurig een leger oude gloriën bij. Bij Ajax heb ik dat alleen met Johan Cruijff, Piet Keizer en Louis van Gaal. Individuen.

Wie ik er ook bij denk zijn Jorien van den Herik en de coaches Ernst Happel, Leo Beenhakker en Bert van Marwijk. Markante persoonlijkheden die de club mede smoel hebben gegeven. Twee van hen braken de voorbije dagen nog eens uit de stilte van hun verleden. Ex-voorzitter Van den Herik die de club tijdelijk uit het financiële debacle wegsleepte en later als melaatse werd weggestuurd, had nog steeds een Feyenoordhart. Niet ongebroken, maar de Kuip bleef voor hem een sacramentele plek.

Leo Beenhakker haalde de schijnwerpers met zijn biografie. Ook zijn Feyenoordhart was gloeiend gebleven, in lichte gebrokenheid. Don Leo gaf zijn lyrische ontboezemingen een testamentaire touch mee. Ik heb zijn biografie nog niet gelezen, maar veel venijn zal er niet inzitten waar het over Feyenoord gaat. Al was zijn exit ook niet bepaald elegant te noemen.

In een interview met het AD opende de Föhn alvast de sluizen van nostalgie. Hij die coach van Real Madrid is geweest, vindt het ware koninklijke nog steeds bij Feyenoord. De 73-jarige oud-strijder ziet zich nog steeds aan de hand van zijn vader de lange weg naar de Kuip lopen. Ooit zei hij me dat hij het liefst op Varkenoord begraven zou worden.

Beenhakker was als coach uniek in zijn présence. Altijd dat tikje geteisterd willen zijn, ook bij daverend succes. Met zijn verbale talent en cabareteske bon mots was hij een prima ambassadeur van de club. Een monument van bravoure.

Met ouder worden heeft hij het moeilijk. De haren zijn uitgedund, de mondhoeken gezakt en de telefoon zwijgt. Herinneringen aan de Kuip zijn nu zijn voornaamste bron van troost.

Het kan helpen.