Vet is gewoon lekker

Dus nu heeft worst het weer gedaan. We weten heus wel hoe het moet, alles met mate. Maar wat is het saai, saai, saai! Door onze redacteur Marjoleine de Vos

Ja hoor, nu de worst weer. Hebben we net allemaal geleerd om zelf worst te maken, een echt leuke hobby voor een bepaalde categorie voedselminnaars, zeg maar: de ambachtelijke eters, wordt die worst ineens in één adem genoemd met asbest. Voor asbest komen mannen in witte pakken met beschermende kappen bij je aan huis om het te verwijderen.

Staan die mannen straks ook naast mijn worst? Mijn mooie zelfgemaakte worst, met de levensgevaarlijke kruiden erin? (Waarom is mijn verse, gekruide worst trouwens zoveel gevaarlijker dan een gekruide gehaktbal?)

Want dat zei het International Agency for Research on Cancer (IARC). Dat worst op de lijst van kankerverwekkende stoffen moet staan, net als roken en asbest. Ander vlees niet, want daarvan weten ze niet zeker of het kankerverwekkend is.

Toch is worst in de verste verte niet zo gevaarlijk als asbest of roken (worstvrije ruimtes?). Het eten van heel veel worst verhoogt de kans op darmkanker ietwat, zoals deze krant van de week uitlegde. Dat is het eigenlijk.

Maar je zal zien dat het Voedingscentrum en de Schijf van Vijf weer heel lelijk gaan doen tegen iets wat lekker is. Ze hebben ook al de kaas in het zuivel- en vleesgedeelte van de schijf van vijf vervangen door tofu! Eet maar eens een boterham met tofu!

Hoewel – ook de boterham zit in het verdomhoekje. Maar dat standpunt komt weer niet van het Voedingscentrum. Dat komt van de antigraanlobby, moderne mensen met ingebeelde ziektes, die allemaal denken dat ze zich heel slecht voelen door een boterham en heel goed door quinoa, gojibessen en chiazaad.

Even voor de duidelijkheid: het is verstandig om weinig vlees te eten, vooral uit oogpunt van dierenleed en een schoon milieu. ‘Geniet, maar worst met mate.’ En er zijn mensen die een glutenallergie hebben en dat is heel beroerd. Maar dat is maar één procent van de bevolking, terwijl nu ineens elke moderne jonge mens ‘probeert zo min mogelijk brood te eten’. Waarom? Neem een boterhammetje, in plaats van de klisma’s die eetgoeroe Rens Kroes aanraadt.

Ach, het Voedingscentrum doet het natuurlijk niet verkeerd. Het is geen culinaire instelling maar een adviesorgaan voor gezonde voeding. Dus dat die zeggen: kaas is vet – vooruit. Kaas is ook vet. Dat maakt kaas zo lekker. Vet is nu eenmaal lekker. (O room, o boter, o knappend spek!) We hoeven ook weer niet doodsbang te zijn voor vet: de nuances in vetsoorten worden steeds talrijker. Er is ook goed cholesterol en goed, ‘bruin’ vet. Vette vis wordt ons altijd van harte aangeraden, ook door het Voedingscentrum. (Maar niet door andere instanties die waarschuwen voor de vele zware metalen, dioxines en bestrijdingsmiddelen in vis).

En het is natuurlijk een groot verschil of je zo af en toe denkt: een grote klont boter in de puree is lekkerder dan een kleintje, of dat je elke dag chips en kant-en-klaar pizza’s eet, afgewisseld met patat en frikadellen.

Het Voedingscentrum zegt terecht: eet weinig vlees. Wees matig met vet. Pas op je cholesterol. En drink voldoende (maar weer geen alcohol, of zo min mogelijk).

Saai, saai saai. Wij ambachtelijke eters, die houden van rookkasten en mooi gebraad, van meegaan met vissers om zelf harder te vangen en oesters te rapen, van vullen en braden en stoven, van ingekookte sauzen met een scheutje drank en room, van bearnaise bij een stukje contrefilet (rood vlees, sorry), wij moeten altijd een beetje grommen en mopperen tegen al die voedselverboden en -waarschuwingen.

En ook tegen de andere groep die zo met voeding bezig is, de voedselgelovigen. Zoals degenen die denken dat alles beter wordt als je nooit meer iets kookt, zonder acht te slaan op de beschavende invloed die het koken op de mens gehad heeft en de enorm toegenomen verteerbaarheid van het voedsel daardoor. Wij hoeven niet, zoals al die arme herkauwers, onze hele dag aan eten en verteren te besteden.

Behalve de raw-food-addicten heb je dan ook nog de grote groep zaden en besseneters, de ‘superfood’-mensen die de quinoaprijzen tot griezelige hoogten hebben opgedreven, waardoor de arme Zuid-Amerikanen hun lokale koolhydratenleverancier niet meer kunnen betalen. Chiazaad is leuk voor kanaries maar niet voor mensen – het smaakt naar niets, het gaat tussen je tanden zitten en er zijn tienduizend andere en veel aantrekkelijker manieren om iets gezonds te eten.

Maar ook de ambachtelijke eters zijn niet vrij van geloofsaspecten – hoe vaak hoor je niet de woorden ‘puur’, ‘eerlijk’ en ‘lokaal’ als evenzovele keurmerken gebruikt worden. En dan zijn er nog de woorden die deze categorie eters moreel een treedje hoger moeten plaatsen: ‘kwalitatief’, ‘hoogwaardig’, ‘duurzaam’.

Eten is behalve voor heilsverwachtingen, ook een ideaal gebied voor verdachtmakingen, dreigingen en verboden. Dat weten alle grote religies, die allemaal spijswetten hebben, en dat weten ook alle voedselgoeroes die hun eigen spijswetten uitvaardigen. Eten moeten we allemaal, dus het is iets wat onze directe belangstelling heeft. Bovendien is het aangenaam. Als dat eten ongezond, gevaarlijk, cultureel onaanvaardbaar of heiligschennend blijkt te zijn, zit je mooi te kijken. Dus wie over eten gaat, heeft macht. En wie ervoor waarschuwt, heeft ieders luisterend oor.

Wat zowel gelukkig is als irritant.

Enfin. Gulzige eters blijven trouw aan de heren Brandt en Levie die de heerlijkste worsten maken en braden gewoon hun zelf gestopte saucijs (met veel nootmuskaat, dat is heel lekker).

Af en toe.