Verhalen zijn een feest: steeds is alles nieuw

Altijd weer die vraag. Iedereen die met een schrijver van korte verhalen praat wil volgens Joubert Pignon stiekem iets anders weten: maar wanneer komt er een roman? De obsessie met de roman, dat boek-waar-het-eigenlijk-om-gaat, is volgens de schrijver in onze cultuur zò groot dat hij stiekem altijd in ons achterhoofd zit. „Ik denk dat als ik gewond op een operatietafel lig en met de arts in gesprek raak over mijn beroep, hij voordat hij begint te snijden toch nog even wil weten wanneer ik nu aan een echt boek begin.”

Langzaam lijkt dat echter te veranderen. Afgelopen februari werd voor het eerst de Week van het Korte Verhaal georganiseerd en vanaf morgen staat de jaarlijkse manifestatie Nederland Leest in het teken van het korte verhaal. Die leesbevorderingsactie werd negen jaar geleden in het leven geroepen om een specifiek boek uit het verleden opnieuw onder de aandacht te brengen, maar moet nu dus een heel genre een duwtje in de rug geven. Hiervoor riep organisator CPNB de hulp in van de man die ze zelf de ‘meester’ van dat genre noemen, zkv-schrijver en Constantijn Huygens-prijswinnaar A.L. Snijders. Zijn selectie korte verhalen, met bekende en onbekende, dode en springlevende schrijvers, zal vanaf morgen in een oplage van 441.000 stuks over het land verspreid worden. In elke provincie verschijnt een aparte editie van de bundel, die is aangevuld met korte verhalen die bij de provincie in kwestie horen. Zo krijgt de Drentse lezer onder meer een verhaal van Peter Middendorp gepresenteerd, de ex-Drent die vorig jaar zijn geboortegrond nog met vitriool besproeide in de roman Vertrouwd voordelig.

Snijders’ selectie is verrassend breed. Zijn eigen favoriet Nescio („de grootste schrijver uit ons taalgebied ooit”) staat er in, maar ook veel jonge en vergeten schrijvers. Dat komt doordat Snijders zich de afgelopen maanden naar hartenlust liet adviseren door vrienden en kennissen. „De bloemlezing is fladderachtig tot stand gekomen, dus het tegenovergestelde van gestructureerd. Ik schrijf korte verhalen, maar ik heb er geen verstand van en laat me graag door anderen uitleggen hoe iets moet of in elkaar zit. Zo was er een vriend die veel van literatuur weet die vond dat er een verhaal van de Vlaming Lode Baekelmans in moest. Ik kende die man niet. Maar het verhaal was goed. Dus Baekelmans staat erin.” Daarnaast gaf het Snijders de gelegenheid een oude favoriet als Joop Waasdorp te selecteren, die in de jaren zestig en zeventig furore maakte.

Vingeroefening

Je wordt je tijdens het lezen van de verhalen bewust van de vrijheid die het genre biedt. Zo is er van A.H.J. Dautzenberg het verhaaltje ‘Zkv’, waarvoor hij ‘niet meer deed’ dan het integraal overnemen van het eerste artikel van onze Grondwet. Een roman zou niet snel volledig uit een citaat kunnen bestaan. En toch wordt het verhaal dus als een soort vingeroefening gezien voor de roman. Ook door de schrijvers zelf overigens. Zo kreeg Thomas Heerma van Voss, een jonge auteur van geprezen verhalen en romans, ooit het advies van zijn uitgever om zich eerst in het schrijven van verhalen te bekwamen, toen het met het romanproject Stern even niet vlotten wilde. Heerma van Voss: „Ik had eerst helemaal geen zin om dat advies op te volgen. Ik zag mezelf als romanschrijver en had minder op met het verhaal. Maar toen ik eenmaal verhalen ging schrijven ontdekte ik de mogelijkheden van het genre. Het gaf me de gelegenheid om verschillende plekken en omstandigheden te verkennen, in plaats van dat ik alleen maar, zoals bij Stern, in het hoofd van dat ene personage zat. Ik zie mezelf inmiddels als schrijver van romans en verhalen.”

Het gaat volgens Pignon de goede kant op met de omarming van het verhaal. „Een genre wordt pas serieus genomen als er prijzen voor zijn”, zegt hij, Joost Zwagerman citerend. „En dat is met de introductie van de J.M.A. Biesheuvelprijs en de A.L. Snijdersprijs, prijzen voor verhalen, inmiddels gebeurd.” Wat nog zou helpen, vindt Heerma van Voss, is als de Librisprijs af zou stappen van de regel om alleen romans te beoordelen en bekronen. „Want nu heeft zo’n gevierde verhalenbundel als Hier wonen ook mensen van Rob van Essen [vorig jaar winnaar van de eerste Biesheuvelprijs] geen kans gemaakt.”

Geen lichter genre

Daarmee raken we aan het misverstand dat het verhaal een lichter of lager genre is dan de roman. De laatste laureaat van de A.L. Snijdersprijs, Wieke Drieboog, kijkt zelfs een beetje neer op de roman. „Ze vertragen mijn leven teveel, als schrijver en als lezer. Ik ben van huis uit psycholoog en het lijkt me helemaal niet gezond om zo lang in een fictief universum te leven. Dat zit tegen het schizofrene aan.” En ook Pignon, van wie onlangs de bundel Huil maar, ik wens je uitstel toe verscheen, zegt dat hij „helemaal niet zo veel heeft met romans”. „Mijn ervaring is dat een roman een bepaald gevoel aan je opdringt. De lezer van een kort verhaal is veel meer een bondgenoot van de schrijver. Hij moet flink aan het werk om ergens context aan te geven. En voor mij als schrijver is het een feest om elke nieuwe dag met een blanco A4’tje te beginnen. Daarnaast heb ik veel ideeën, en die moeten allemaal een apart jasje aan.”

Een apart jasje wil niet zeggen dat er geen samenhang of eenheid tussen de verhalen in een bundel bestaat. Heerma van Voss’ noemt Willem Frederik Hermans’ bundel Paranoia, een favoriet, die opent met een soort beginselverklaring, de befaamde ‘Preambule’, waarna het theoretische standpunt eruit, de onkenbaarheid van de wereld, in de verhalen die erop volgen wordt uitgewerkt. Pignon zou graag een bundel schrijven als Richard Brautigans Trout Fishing in America, dat hij omschrijft als „een trein waarin in elk wagonnetje andere groepjes mensen zitten te praten over hetzelfde onderwerp”.

En ook in Snijders’ verzameling zit een lijn. Al had hij, opnieuw, wel iemand anders nodig om tot die ontdekking te komen. „Iemand wees me erop dat de uitverkoren verhalen voldoen aan twee kenmerken. Ten eerste staat overal het menselijke centraal. Ten tweede zit er vaak een bepaalde weemoedigheid in. En dat, die weemoed, is volgens mij een oerkracht die in de mensen zit. Je denkt als jonge man: we gaan het eens helemaal anders doen. Maar iedereen zal uiteindelijk ondervinden dat alles op hetzelfde uitdraait. En dit is niet de weemoed van een oud mannetje van bijna tachtig. Dit voelde ik al toen ik twintig was, en toen ik veertig was en toen ik zestig was. Dat kan alleen maar betekenen dat ik als oud mannetje geboren ben.”