Nederlandse overheid beknibbelt wel degelijk op wetenschappelijk onderzoek

Wetenschappelijk onderzoek was afgelopen weekeinde voorpaginanieuws voor NRC, die een bijlage wijdde aan de vermeende stand van Nederland onderzoeksland (Wetenschap, 21 oktober). De hoofdboodschap: de investeringen in wetenschappelijk onderzoek zijn flink gestegen. De cijfers komen uit betrouwbare bronnen en toch wordt de lezer op het verkeerde been gezet. De verschillende inkomstenbronnen van wetenschappers zijn op een hoop gegooid en de gangbare meetlat – investeringen uitgedrukt als percentage van het bruto binnenlands product (bbp) – ontbreekt. Zo ontstaat het beeld van verwende wetenschappers die zeuren om steeds meer geld. De werkelijkheid is dat de Nederlandse rijksoverheid op wetenschappelijk onderzoek beknibbelt, daarmee Europese afspraken niet nakomt én haar eigen ambities ondergraaft.

Bij herhaling hebben de lidstaten van de Europese Unie zich verplicht om 3 procent van het bbp te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Zonder onderzoek en ontwikkeling geen duurzame welvaart en welzijn. Dat geldt in het bijzonder voor ons land, dat nauwelijks beschikt over andere grondstoffen dan kennis. Vorig jaar zei het kabinet niet op 3 procent maar op 2,5 procent te mikken.

Op 9 april van dit jaar verscheen de publicatie ‘Totale Investeringen in Wetenschap en Innovatie 2013-2019’ van het Rathenau Instituut. In deze publicatie worden de bijdragen van de rijksoverheid aan onderzoek en innovatie op een rijtje gezet. De conclusie: de investeringen in de periode 2013-2019 dalen van 6 naar 5,5 miljard euro.

Hoe is het dus werkelijk gesteld met de investeringen in onderzoek? Het Rathenau Instituut: „De directe en indirecte overheidssteun als percentage van het bbp is redelijk stabiel in de periode 1999-2008. In de periode 2009-2011 neemt deze, mede als gevolg van crisismaatregelen, toe om vervolgens vanaf 2015 af te nemen tot uiteindelijk onder het niveau van 1999”. In werkelijkheid investeert de rijksoverheid dus steeds minder.

Hoe vallen die twee boodschappen – de wetenschap krijgt meer geld en de wetenschap komt geld tekort – met elkaar te rijmen? Het antwoord luidt dat wetenschappers middelen hebben weten te verwerven uit andere bronnen. Een steeds groter deel van de publieke middelen voor wetenschappelijk onderzoek komt van de Europese Unie. Nederlandse onderzoekers doen het daar bijzonder goed: de gemiddelde jaarlijkse inkomsten vanuit ‘Brussel’ stegen in vijftien jaar van ongeveer 165 tot 475 miljoen euro. Ook lukt het wetenschappers om meer inkomsten te verwerven uit de private sector en uit collectebusfondsen. Deze successen hebben een keerzijde: veel onderzoeksmiddelen moeten worden aangevuld met eigen middelen van de instellingen (‘matching’). Daardoor neemt de druk op de basisfinanciering verder toe en moeten nog meer middelen in competitie worden verworven. Steeds meer aanvragen concurreren om de beperkte middelen, waardoor de slaagkans inmiddels tot een onacceptabel laag niveau is gedaald. Bovendien wordt door de toenemende druk op de eerste geldstroom de mogelijkheid voor langlopend onderzoek steeds kleiner.

Het aldus extern verworven geld gaat niet naar ‘de wetenschap’, maar naar een zeer beperkt aantal onderzoekers. Die relatief kleine groep concentreert zich noodgedwongen op een beperkt aantal thema’s – het rechtstreekse gevolg van beleid van de Nederlandse en de Europese overheid.

Het resultaat is dat de ruimte voor het ongebonden onderzoek jaar na jaar afneemt. Bijzonder kwalijk als men zich realiseert dat juist niet-thematisch, door nieuwsgierigheid gedreven onderzoek een belangrijke bron is van radicale vernieuwing. En juist dit soort onderzoek is de afgelopen decennia volledig afhankelijk geworden van publieke financiering – die dus afneemt.

De perceptie van de universitaire onderzoekers klopt dus wel: er is steeds minder basisfinanciering voor steeds meer taken, terwijl men steeds meer van de wetenschap verwacht. Het is absoluut noodzakelijk dat de overheid de Europese doelstelling nakomt en 3 procent van het bbp in onderzoek investeert. Alleen zo kunnen welvaart en welzijn op de langere termijn behouden blijven.

Karl Dittrich,

Naschrift: De Europese r&d-norm van 3 procent die KNAW en VSNU aanhalen, betreft de totale r&d-uitgaven in een land. Dus publiek én privaat. Dat Nederland die norm niet haalt, komt door de verhoudingsgewijs lage private r&d-uitgaven – iets wat al jaren bekend is. Zeggen dat de Nederlandse overheid het gat met de EU-norm zou moeten vullen, komt neer op een extra investering van zo’n 5 miljard euro per jaar (volgens 2012-cijfers).

Meer of minder naar wetenschap? Het klopt dat de ministeries de komende jaren bezuinigen op r&d. Dat meldde NRC ook. Maar dat treft de instituten (TNO, ECN, etc.). Het hoger onderwijs, waarop de artikelen zich concentreerden, gaat er op vooruit. Al jaren. En in ieder geval tot 2019: zie grafiek 6 van de aangehaalde Rathenau-publicatie. Marcel aan de Brugh