Column

Lucht

Ze zou met haar laatste krachten naar boven moeten zwemmen, naar het licht, naar de oppervlakte, benauwd zwemmen tot haar benen zouden verkrampen, in een eindeloze snelweg van water die haar, hoe hard ze ook zwom, op dezelfde plek gevangen hield. Het water was haar slecht gezind, alleen het laatste restje lucht in haar longen mocht ontsnappen, en ze keek de bubbels na die van haar vermoeide lijf vandaan snelden naar het licht, de lucht, die onbereikbare spiegel. Het water zou haar botten vermorzelen op de donkere koude bodem en haar vlees doen oplossen in een eindeloze zee van niks.

Ze gaf het op, ze zou het water binnen laten. Ze opende haar samengeperste lippen, voelde het koude water haar warme tong omvatten en liet de spanning uit haar lichaam de zee in vloeien. Nu was ze hier. Als een willoze pop werd ze naar beneden getrokken en het licht boven haar werd kleiner en kleiner. Haar longen en maag vulden zich met kou en ze sloot haar week geworden ogen om het donker niet te hoeven zien.

Berusting diende zich aan als een bellboy – PING – en rond haar paarse lippen vormde zich iets wat op een glimlach leek. Erger kon het niet worden, het kon alleen nog maar eindigen, dacht ze, toen een rubberen hand haar gezicht greep en haar hoofd bruut naar achter trok. Ze hoorde iets knappen in haar nek. Een gedaante pakte haar lichaam beet en draaide het rond en rond en rond. Haar hoofd leek uit het lood langs haar schouders te hangen, ze opende haar ogen. Een man in een asbestpak danste met haar slappe lijf, steeds wilder en wilder. Hij leek een volksdans te doen, hij leek.. op haar oude buurman Wilbert. Wel godverdomme, dacht ze, wat doet hij nou hier? Voor ze er erg in had zat ze met haar hangende hoofd uit te druipen op een stoel in een tl-verlicht lokaal. Voor haar stonden nu drie mannen in asbestpakken.

Wilbert stond in het midden. Of ze het de laatste tijd weleens benauwd had, wilde hij weten. Hij klonk als een anonieme getuige waarvan de stem verdraaid is. Herinnerde ze zich de gangen van het oude appartementencomplex nog? Bij de bergingen? Allemaal asbest, zei hij. En de plafonds waar haar verhuisdozen tegen opgestapeld stonden, die dozen die zo vol zaten dat ze die dingen langs de plafondplaten schrapend op hun plek had geduwd? Asbest.

Ze wilde reageren maar kon niet praten, ze kreeg geen lucht, het gewicht van haar eigen hoofd blokkeerde haar luchtpijp. De mannen pakten lachend haar ledematen en zetten weer een dans in toen ze een kat hoorde. Ze sprong overeind en daarmee vulden haar longblaasjes zich met lucht als kleine parachutes. Ze landde in mijn bed, in mijn lichaam. Ik ademde nog eens diep in, duwde een kat van me af en achtte het een goed idee om voor het slapengaan geen lijsten met kankerverwekkende stoffen meer te lezen.