Licht op een zinkplaat en stikstof in het kruis

Piet Molenaar (1941-2015), dol op proeven, was een zeer geliefde vwo-leraar natuurkunde. Met één been in de universiteit bleef hij de lessen continu vernieuwen.

Piet Molenaar vond dat je naar de leerlingen moest kijken, niet naar de cijfers.

Twee en een half jaar geleden, hij was toen al 71, schreef natuurkundeleraar Piet Molenaar aan zijn collega’s in het land: „de leskist is klaar”. De leskist, daar zitten spullen in voor natuurkundeproeven. Scholen die geen geld hebben voor eigen laboratoriumspullen, kunnen hem lenen. Molenaar had deze nieuwe kist over quantummechanica na uitgebreid overleg met zijn collega’s samengesteld omdat dit onderdeel voor het eerst op het eindexamen zou komen. En deze kist ging over niets minder dan de „worsteling tussen Planck en Einstein” volgens Molenaar. Die was het beste te illustreren aan de hand van licht op een zinkplaat. Waarom lukt het foto-elektrische effect dan niet? Voor de tweede proef was er een elektronenkanon dat op goudfolie moest schieten om golflengten en atoomafstanden te meten.

Proeven, daar was eerstegraads natuurkundeleraar en universitair natuurkundedidacticus Piet Molenaar tot aan zijn dood warm voor te krijgen. Zijn ogen begonnen dan altijd te glimmen. Met meeslepend enthousiasme zette hij de leerlingen aan het werk die dan vaak tot ruim in de pauze bleven doorgaan. Na zijn pensioen was hij doorgegaan met lessen voor het Fons Vitae Lyceum in Amsterdam en bij de afdeling vakdidactiek van de universiteit van Amsterdam. Deze combinatie van twee halve banen had hij al vanaf 1965, toen hij in dienst trad bij het Fons Vitae Lyceum. Hij werkte toen al een jaar bij de Universiteit van Amsterdam als wetenschappelijk medewerker. De inzichten van de ene baan kon hij meteen inzetten bij de andere. En dat deed hij, vaak veertien uur per dag. De man met het grijze baardje was altijd alom aanwezig.

Onderzoekend leren

Molenaar was een ideale leraar voor het VWO. Zijn loopbaan laat het volle potentieel zien van een vak dat nog steeds door veel universitair opgeleiden wordt versmaad. Zijn ideeën over onderwijsvernieuwing kwamen uit de dagelijkse praktijk. Studiehuis? Molenaar had allang „onderzoekend leren” ingevoerd in zijn klas. Zelf leren was zijn methode. Het studiehuis voegde daar weinig aan toe, integendeel: in studiehuisuren kon hij geen begeleiding bieden, en „zonder begeleiding is een practicum zinloos”, zei hij in een interview met Maarten Pieters in deze krant in 2006. „Ze mogen veel kiezen maar de keuze van de basiskennis en vaardigheden maak ik.”

„Het zijn mooie bedenksels”, zegt collega natuurkundeleraar-didacticus Peter Uijlings over onderwijsvernieuwing-van-bovenaf. „En dat kun je dan maar fijn gaan uitvoeren voor een groepje kinderen van veertien jaar. Dat werkt gewoon niet.”

Molenaar vernieuwde van onderaf. Nauwelijks was de Personal Computer in Nederland geïntroduceerd, afgekort PC, of hij wilde hem al in de klas. Dat was begin jaren tachtig. Met de PC konden de metingen almaar doorgaan. Je kon op de PC ook voor het eerst proeven simuleren in wiskundige modellen. En dan was er technisch lego waar netwerken met schakelingen mee konden worden aangelegd. Hij kreeg telkens ingevingen hoe het nog beter kon. Dat kon wel chaotisch zijn, herinnert oud-leerling Quinten Telkamp zich. „Maar dan begon hij opnieuw en legde hij het alsnog uit.” Aashna Harris kreeg bijles van hem. „Meneer Molenaar bracht alles op een leuke en simpele manier. Het was beter te begrijpen”, zei ze.

Met studenten van de universitaire lerarenopleiding oefende hij docentenvergaderingen, herinnert zich didactisch collega Rien van Krieken. „Wat zouden jullie adviseren voor deze leerlingen met echte cijferlijsten van het Fons Vitae?” Hij vond dat je naar de leerling moest kijken en niet naar de cijfers. Wat er in zit. Een keer had hij tegengestemd toen een leerling naar de havo zou worden gestuurd wegens een 3 voor Engels. Het werkte, want de jongen werd later dierenarts.

Molenaar nam studenten van de universiteit van Amsterdam ook mee naar de klas om de lespraktijk te laten zien. Studenten en leerlingen liet hij kennis maken met hun eigen „misconcepties”. Dat de maan geel zou zijn en dat voor beweging kracht nodig is. Hij praatte hun dat uit het hoofd en wekte meteen hun interesse voor het vak. Er waren in elke klas wel leerlingen bij die later natuurkunde zouden gaan studeren. Toen hij er veertien had meegenomen naar het CERN in Genève, gingen er zeven naar de natuurkundefaculteit.

Na vijftig jaar leraarschap kwam hij overal ex-pupillen tegen, tot bij de F-side van Ajax die hij weleens placht te bezoeken. Overal is het „dag meneer Molenaar”, „u hier, meneer Molenaar?”. Veel oud-leerlingen en collega’s bezochten de herdenking in Fons Vitae en de begrafenis. Op zijn Facebookpagina’s verschenen verhalen en herinneringen. Casper van der Poll: „Uniek in zijn manier van lesgeven. Van springtouwen midden door het lokaal tot vloeibaar stikstof in het kruis van Daan. Blij dat ik een jaar les heb mogen hebben van hem.” Daan heeft ook goede herinneringen aan dat stikstof: „Een moment dat je niet snel met een andere docent dan meneer Molenaar zult meemaken.”