Ik moest God deleten

In haar debuutroman bevrijdt Margriet van der Linden het meisje dat ze was. „Over alles wat ik belangrijk vond, moest ik zwijgen”, zegt ze bij een slakkenstoofpotje.

Margriet van der Linden: „Al heel jong begreep ik: als je kiest voor jezelf, kom je er alleen voor te staan.”

Hoe lang zaten we aan tafel? Hooguit tien minuten, een kwartier misschien. In een huiskamerrestaurant in Amsterdam, waar je alleen op afspraak terecht kan. We hadden water in onze glazen geschonken. De eerste aftastende vriendelijkheden waren uitgewisseld. We hadden zelfs al gelachen. En toen stagneerde het gesprek abrupt. Dit, zei Margriet van der Linden (45), is een „no go area”. Ik vroeg alleen of haar ouders nog leefden. Dat deden ze. Maar hoe oud ze nu dan waren, dat wist ze even niet. Dat vond ik gek. Toen zei ze dat ze al een paar jaar geen contact meer heeft met ‘thuis’. „Ik voel me niet gerechtigd allerlei uitspraken over hen te doen.”

Ze haalt haar hand door haar Elvis Presley-achtige kuif. Haar petroleumblauwe ogen kijken onverzettelijk. Hoe zullen we deze impasse eens doorbreken?

We zouden het gaan hebben over haar boek De liefde niet. Ze beschrijft daarin gedetailleerd de coming of age van een meisje genaamd M. Haar beginnende seksuele ontluiking, haar wankelende godsgeloof, haar fantasieën en haar eenzaamheid. Margriet van der Linden wilde het boek zo graag schrijven dat ze er twee jaar geleden haar baan als hoofdredacteur bij maandblad Opzij voor opzegde. „Ik voelde de noodzaak dit verhaal te vertellen. Ik moest het meisje dat ik was opzoeken en bevrijden. Niet als therapie. Beslist niet.” Waarom dan wel? „Ik heb me altijd op mijn werk gestort. Tijd om de film terug te draaien, nam ik nooit. Dat was me te zwaar, ik wilde niet terugkijken, ik moest dóór.”

Het is moeilijk in M. een ander te zien dan degene die nu tegenover me zit. Inmiddels drinkt ze een glas rode wijn. Dat is lekker, zei de gastvrouw, bij de slakkenstoofpot die ze straks gaat eten. „Het is een roman”, zegt ze. En even later: „Maar ik zal niet ontkennen dat het ook autobiografisch is.” Dan wordt het wel een beetje lastig, zeg ik, om het niet te hebben over de leden van het gezin waarin ze opgroeide. Haar vader, haar moeder, haar oudere broer en broertje. Ik kan en wil, herhaalt ze, niet over mijn familie spreken in de tegenwoordige tijd. Maar een belemmering om te praten over vroeger is er niet. Dus het gesprek daarover zetten we gewoon voort.

De titel van haar boek De liefde niet ontleende ze aan het Nieuwe Testament, uit de brief van Paulus (1 Korintiërs 13). Nou, dan weet je wel zo’n beetje wat haar roots zijn. Ze groeide op in een Gereformeerde Bondgezin, een steile orthodoxe stroming binnen de protestantse kerk. Zeker in haar jeugdjaren was het geloof nog een echte zuil, met eigen middelbare scholen (de hare was in Rotterdam) en een eigen opleiding tot journalist (in Amersfoort). Op zondag niet fietsen of een ijsje kopen, wel twee keer naar de kerk. Wereldse literatuur en televisie is heidens en meisjes mogen geen kort haar of mannenkleren. Homoseksualiteit wordt afgewezen, zeker wanneer het wordt gepraktiseerd.

Je hoeft maar even naar Margriet van der Linden te kijken – haar korte kapsel, haar stoere shirt in de kleur van haar ogen, haar broek en sportschoenen – en je weet dat er weleens een conflict zou kunnen zitten tussen haar en het geloof. „Ik had als kind al zoveel vragen. Hoezo was naar de bioscoop gaan zondig? Het antwoord was dat je dan niet klaar stond om Jezus te ontvangen als hij toevallig precies op dat moment terugkeerde op aarde om je te verlossen. Ik vond dat Hij best even op me kon wachten.”

Geloofsafval

Tot ver in haar studententijd houdt het geloof haar in de greep. Haar vader dirigeert haar naar een geschikte kerk in haar studentenstad. Haar mentor aan de Reformatorische school voor Journalistiek maakt zich niet zozeer zorgen over haar studieprestaties, het is haar geloofshouding die hem zorgen baart. Haar predikant uit Ridderkerk had haar dwaling ook al vastgesteld: „M. wordt heen en weer geslingerd tussen de wereld en haar Schepper.”

„Toen ik in 2008 bij Opzij kwam werken, kwam er een mail binnen: wat heeft een lesbische vrouw zonder kinderen bij een feministisch maandblad te zoeken.” Ze lacht, schamper. „Als er één emancipatieslag geweest is in mijn leven....”

De definitieve breuk tussen haar en God is nog maar kort geleden. „Zes, zeven jaar geleden ging ik Karen Armstrong interviewen, ze had een dik boek geschreven over God. Ik realiseerde me dat er intrinsiek niets veranderd was aan het godsbeeld uit mijn jeugd. Vroeger vond ik het een lieve man, wiens toorn ik vreesde. Als volwassen vrouw was ik pisnijdig op diezelfde godsfiguur.” Ze had zich, net als sommige studiegenoten, bij een wat tolerantere kerkgemeenschap kunnen aansluiten. „Maar andere software erin douwen had geen zin. Het was meer een kwestie van alles deleten. En toen mijn godsbeeld was gewist, was mijn woede over.”

In haar roman duidt ze de familieleden van M. consequent aan met ‘de vader’, ‘haar moeder’ en ‘de broer’. „Zo bouw ik afstand in, beschouwing.” Vrienden en studiegenoten krijgen wel een naam. „Bij hen voelt ze zich veilig.” Onwillekeurig kijk ik naar de zegelring aan haar pink. Hè, heeft ze een familiewapen? „Mijn trouwring.” In 2010 is ze getrouwd met Kitty Kooring. „De inscriptie is een combinatie van onze initialen.” Haar nieuwe familie? Ja, knikt ze. En hoe zit het met haar oude?, informeer ik toch maar. „Ik zag laatst een uitzending van Spoorloos op televisie. Een zoon van een Nederlandse moeder zocht zijn Armeense vader, die hem kort na zijn geboorte had verlaten om terug te keren naar zijn geboorteland. Hoe erg ook voor die jongen, ik herkende het dilemma van de vader. Zijn familie had hem destijds voor het blok gezet: kies je voor je nieuwe gezin, dan ben je ons kwijt...Wat doe je dan?”

Haar besluit haar familie niet meer te zien, was onontkoombaar zegt ze. „Het geloof is altijd belangrijker dan het individu. Jij als mens doet er niet toe. Alle belangrijke dingen in mijn leven – mijn werk, mijn liefde, mijn opvattingen – zijn onverenigbaar met hun geloof en dienen daarom onbesproken te blijven. Want wat je verzwijgt, bestaat niet. Dat heb ik volgehouden tot ik achter in de dertig was. Toen ging het niet meer.” Uit haar boek maakte ik op dat meisje M. veel van haar moeder houdt. Zoekt haar moeder nu nooit contact met haar? „Jawel.” Maar? Ze zucht wrevelig „Dit is geen ruzietje dat je in een telefoongesprek oplost. Al heel jong begreep ik: als je kiest voor jezelf, kom je er alleen voor te staan.”

Tot aan het schrijven van De liefde niet heeft ze „ijzerenheinig” doorgeleefd. „Ik ben als een gek gaan werken.” Om zelfstandig te kunnen leven, maar ook om „ergens in verankerd te raken”. Haar bodem van wekelijks kerkbezoek, vaste liturgie en de gezamenlijkheid van het bidden en bijbellezen was immers weg. „Van jongsaf aan hield ik een dagboek bij. Een schriftje waarin ik alles van me af kon schrijven.” Iets van dat dagboekachtige lees je terug in De liefde niet. Voskuil-achtig uitgesponnen en gedetailleerd zijn soms de scènes in het zwembad, de gesprekken en ruzies tussen haar en haar huisgenoten. „De lezer moet de beklemming voelen. Dat je denkt: kom óp nou. Dat meisje moet daar weg. Doe wat. Breek los.”

Agressieve mol

Vier weken heeft ze het „schrijfproces” onderbroken om mee te doen aan het televisieprogramma Wie is de Mol?. Een groep van tien kandidaten moet, in een ver buitenland, gezamenlijk opdrachten uitvoeren. Onder hen is er één, de mol, die de boel in het geheim saboteert. Margriet van der Linden was de mol. „Het is een heftig sociaal experiment. Ik wilde een aanvallende, beetje agressieve mol zijn. Psychisch vond ik het zwaar. Het is nogal wat, het zwijgen, het stiekeme, de druk. Jij weet iets wat verder niemand weet.” Tussen de opname en de uitzending van het programma zit een periode van acht, negen maanden, waarin ze nog steeds met niemand mocht praten over haar rol in het programma. „Tot de avond van de finale.” Dat was, zegt ze, een ontlading. Alsof ze weer uit de kast kwam. Nu wist heel Nederland dat zij de verrader was. „Zo raar, het programma stopt, en alle spanning is weg. De opname van de laatste uitzending heb ik een paar keer teruggekeken. ’s Nachts. Op stop zetten, terugspoelen, nog een keer kijken. Tien keer achter elkaar. Gewoon om het te verwerken. Om weer te beleven hoe het was.”

En nu? Ze heeft zo genoten van het schrijven, zegt ze, daar gaat ze voorlopig nog even mee door. De liefde niet stopt als M. ongeveer 22 jaar is en op het punt staat haar moeder te vertellen dat ze op meisjes valt. Dus nu komt deel twee?, vraag ik. „Zeg het maar. Wil jij het?” Zonder het antwoord af te wachten: „Aan het eind van deel één is ze uitgezwommen. In deel twee duikt ze het grote, blauwe gat in.” Ontspoort ze?, vraag ik, misschien net iets te gretig. „Je bedoelt wat ik met dat gedoopte voorhoofd van me allemaal heb uitgevreten?”

Ze grinnikt, zet zachtjes haar espressokopje neer. Alle andere gasten uit het huiskamerrestaurant zijn al vertrokken. „Ik heb het allemaal gedaan.” Drank? Drugs? „Nee, geen drugs, dat combineert niet met drank. Er is nog zoveel te vertellen. Over de journalistiek, mijn werkende leven. Ik denk al na over deel drie.”