Het kerkhof is vol

Het kerkhof van Agios Panteleimonas bij Mytilini op Lesbos is een prettige plek. Witte, orthodoxe familiegraven vol bloemen, omgeven door dennenbomen, met uitzicht over de blauwe Egeïsche Zee. In de verte ligt Turkije. Er zijn lelijker plaatsen om begraven te worden.

Maar de verste uithoek van het kerkhof, waar de graven van niet-orthodoxen liggen, vertelt een ander verhaal. Onder hoopjes aarde, waaruit botten en stukken schedel steken van toen dit een massagraf was uit de Tweede Wereldoorlog, liggen de vluchtelingen en migranten begraven voor wie Lesbos het abrupte einde van hun tocht naar Europa betekende.

Op deze graven liggen geen verse bloemen, hooguit één verwelkt exemplaar, lang geleden achtergelaten. In plaats van grafstenen zijn er met de hand geschreven bordjes die weinig verraden over de identiteit van de gestorvene. ‘Afghaan Nr. 1, 3-10-07’, of gewoon ‘Nr. 8, 5-1-2015’.

„Hier lag vroeger een Iraakse jongen”, vertelt Christos Mavrakidis, de zonverweerde bewaarder en grafdelver van het kerkhof. „Zijn vader is hem met zijn eigen handen komen opgraven om hem terug naar Irak te brengen.”

De eerste begrafenis van vluchtelingen hier dateert van 2002: een man, twee vrouwen en drie kinderen. Hun graven zijn al lang verdwenen. Graven worden na drie jaar verwijderd, tenzij de familie betaalt voor een verlenging. Normaal is voor die verwijdering wel de toestemming van de familie nodig.

De oudste graven zijn nu van 2007; de meest recente zijn een ‘Afghaan’ van 21 oktober 2015, en een graf waarop ‘Safi-Siyap 2-10-2015’ staat. Het zijn voorlopig de laatste, want er is geen plaats meer op het kerkhof van Agios Panteleimonas.

„Safi-Siyap, dat zijn twee mensen: een vrouw en een kind van zeven. We hebben hen zij aan zij begraven wegens plaatsgebrek”, zegt Efi Latsoudi, een Griekse activiste die zich inzet voor de vluchtelingen en migranten die via Lesbos passeren.

Sinds 21 oktober worden drenkelingen niet meer begraven op Lesbos. Latsoudi heeft met een Britse schenking een koelcontainer aangekocht voor het plaatselijke ziekenhuis, waarin begin deze week veertien lijken op een begrafenis wachtten.

Maar woensdag vond een nieuw drama plaats aan de noordkust. Een boot met bijna 300 opvarenden leed schipbreuk: vijf kinderen, twee mannen en een vrouw zijn dood, meer dan dertig mensen worden vermist.

Naar Mekka gericht

Het is aan Latsoudi te danken dat de drenkelingen nu tenminste een islamitische begrafenis krijgen. De oudste graven op het kerkhof zijn nog afgezet met snelbouwblokken. Dat is de oplossing die de plaatselijke politie samen met grafdelver Mavrakidis had bedacht.

„Maar dat is niet volgens de islamitische rituelen”, zegt Latsoudi. „De graven waren ook niet naar Mekka gericht zoals dat hoort.”

De eerste vluchtelingen die een islamitische begrafenis kregen, waren 23 Afghanen die op 15 december 2012 aanspoelden. Twaalf zijn hier begraven; de rest werd gerepatrieerd naar Afghanistan.

Latsoudi herinnert zich die dag nog goed. „Het was de dag van de schietpartij op een school in Sandy Hook in de VS. De Griekse president heeft toen condoleances gestuurd naar het Witte Huis. Over de 23 doden die in Lesbos waren aangespoeld, geen woord.”

Allemaal samen

Het was voor Latsoudi de aanleiding om Chorio Oloi Mazi (‘het dorp van allemaal samen’) op te richten. De groep runt nu een kampje in Pikpa, nabij de luchthaven van Mytilini, waar de meest kwetsbare vluchtelingen worden opgevangen: gehandicapten, bejaarden, én mensen die familieleden hebben verloren op de overtocht.

In het Pikpa-kamp zit een groepje Syrische Koerden terneergeslagen in het gras. Pikpa, een gewezen vakantiekolonie, is een verademing in vergelijking met het hoofdkamp in Moria. Maar wie hier terechtkomt heeft gegarandeerd een verschrikkelijk verhaal.

Nozat Ahmed en zijn vrouw hebben hun drie kinderen verloren, zijn neef Ayad zijn vrouw. Het gebeurde op 15 oktober. De familie had 2.400 euro per persoon neergeteld om vanuit Turkije over te steken met een heuse boot in plaats van 1.000 euro per persoon voor een rubberboot.

Het was een houten boot van dertig meter, van het type dat in Turkije gebruikt wordt voor korte toeristische rondvaarten. Dat is een patroon: aan de noordkust van Lesbos zijn de laatste week meer van dat soort boten aangespoeld. De veiligheid van een grotere boot is een illusie.

De rubberbootjes worden doorgaans bestuurd door een vluchteling die door de smokkelaars wordt aangewezen, en die in ruil gratis reist. De grotere boten hebben een Turkse kapitein. Wat er niet bij wordt verteld, is dat die kapitein bij het verlaten van de Turkse wateren van boord wordt gehaald om arrestatie te vermijden. De vluchtelingen zijn vanaf dat moment aan zichzelf overgeleverd.

In het geval van de Koerdische familie werd de boot per ongeluk geramd door de Griekse kustwacht. Bij de tragedie van woensdag was het naar verluidt het bootje dat de Turkse kapitein van boord moest halen dat de boot deed zinken.

Volgens Peter Bouckaert van Human Rights Watch kwam donderdag op Lesbos opnieuw een grotere boot aan zonder kapitein; de honderden vluchtelingen waren opgesloten in de kajuit.

„Het is een nieuwe tactiek van de smokkelaars”, zegt Bouckaert, „ze sturen honderden vluchtelingen tegelijk in deze boten. Dit moet ophouden. Wanneer komt de EU in actie?”

Nozat Ahmeds kinderen liggen nu in de container bij het ziekenhuis. Zijn broer Doran is vorige week overgevlogen uit Duitsland, waar hij twee jaar geleden al belandde. „Ik ben nu de papieren aan het regelen om de kinderen via Irak terug te brengen naar Syrië om hen daar te begraven. Maar dat is heel lastig”, zegt hij.

Nozat Ahmed wilde eerst met zijn vrouw terugkeren naar Syrië. „Maar mijn broer heeft mij overtuigd dat het toch beter is om door te reizen naar Duitsland. Anders is het allemaal voor niets geweest.”

Dit soort drama’s zijn dagelijkse kost voor Efi Latsoudi. Ze wijst naar het graf van een Syrische christen die op 18 augustus vorig jaar verdronk. „Hij reisde samen met een vriend. Die is gebleven voor de begrafenis en daarna doorgereisd. Deze zomer zijn zijn vrouw en drie kinderen op hun beurt met een bootje naar Lesbos gekomen. Ze zijn het graf komen groeten, en toen doorgereisd naar Nederland.”

Toen Latsoudi begon met de begrafenissen waren het er één of twee per jaar. „Nu verdrinken er bijna elke dag mensen. Toen ik hoorde van de schipbreuk van woensdag wilde ik in een hoekje wegkruipen. Weer zoveel families die met zo’n enorm verlies te maken krijgen. Het is overweldigend.”

Dezer dagen is het voor Latsoudi en haar medewerkers voortdurend schipperen tussen het helpen van de levenden en het zorgen voor de doden. Latsoudi’s rechterhand is de 35-jarige Mohammadi Naiem, een Afghaan die hier dertien jaar geleden in een bootje aankwam, en nooit meer is weggegaan.

„De Griekse politie zag dat ik Engels sprak, en vroeg mij of ik een tijdje kon blijven om hen te helpen met tolken. Van het een kwam het ander”, zegt Naiem.

Voor de schipbreuk van woensdag was Naiem nog druk met het regelen van papieren voor twee baby’s van vluchtelingen die op Lesbos waren geboren. „De volgende dag zat ik in het ziekenhuis wanhopig de handjes en voetjes warm te wrijven van een meisje van drie maanden. Zij heeft het niet gehaald.”

Heel stil

Naiem was bij de eerste begrafenis in 2002. Sindsdien is hij van dichtbij betrokken geweest bij de begrafenissen. Als hij tijd heeft gaat hij naar het kerkhof om te bidden. Want anders dan bij de Griekse graven is het bij de graven van de vluchtelingen doorgaans heel stil.

„Toen ik hiermee begon wilde ik twee dingen bereiken”, zegt Latsoudi. „Die mensen een fatsoenlijke islamitische begrafenis gunnen, én ruchtbaarheid geven aan de begrafenissen. Zodat hun dood iets minder futiel zou lijken.”

Recentelijk heeft zij daarbij de hulp gekregen van IsraAid, een Israëlische hulporganisatie die actief is op Lesbos. Sommige medewerkers van IsraAid zijn Israëlische Arabieren; zij wonen de begrafenissen bij. Ook vluchtelingen op doorreis helpen. „Zij zien het als hun plicht om deze mensen te begraven zoals het hoort”, zegt Latsoudi.

Bij elk graf heeft zij een verhaal. „Dat is een kind van een moeder die nog borstvoeding gaf, dat ook. Ik zeg dat erbij omdat dat een van de moeilijkste dingen is wanneer wij de moeders opvangen: zij blijven melk maken voor kinderen die er niet meer zijn.”

Soms hebben de doden namen, zoals de Syrische familie Daoud: vader, moeder, grootmoeder en twee kinderen van vier en zeven jaar oud. De familie was Grieks-orthodox, en mocht daarom op het gewone kerkhof begraven worden, met een mooie grafsteen, betaald door familieleden in Zweden.

Maar veel drenkelingen zijn voor altijd anoniem: hun families zullen nooit weten wat er is gebeurd. „Als iemand alleen reist, is er vaak niemand om de verdwijning te melden”, zegt Latsoudi. „Als een hele familie tegelijk verdrinkt ook niet.”

Twee Britse universitaire onderzoekers, Simon Robins en Iosif Kovras, stelden in Lesbos vast dat er bijzonder weinig wordt gedaan om drenkelingen te identificeren. Af en toe worden DNA-monsters genomen, maar omdat er doorgaans niets is om dat DNA mee te vergelijken, heeft het geen hoge prioriteit.

„Achter elk lijk dat in Italië of Griekenland aanspoelt, zit een familie die wacht op nieuws”, schrijven Robins en Kovras. „Maar de Europese en nationale autoriteiten gaan hun verantwoordelijkheid uit de weg. Een dergelijk gebrek aan verantwoordelijkheid zou ondenkbaar zijn als de drenkelingen Europeanen waren.”

Op het kerkhof van Mytilini liggen nu zo'n zeventig drenkelingen; als het zo doorgaat zal straks ook de container bij het ziekenhuis te klein zijn. Burgemeester Spyros Galinos van Lesbos is zich bewust van het probleem. „We zoeken naar een oplossing. Het is ongelukkig dat mensen die voor de dood vluchten hem hier op Lesbos tegenkomen.”

Latsoudi komt sterker uit de hoek. „Na de schipbreuk van woensdag had het leven in Mytilini moeten stilvallen. Iedereen had de straat op moeten gaan om te zeggen: ‘Stop, dit kan niet zo doorgaan. Het is te veel. De EU moet hier een oplossing voor vinden’.”