Haile lacht nog, steeds heel even

De man die voor velen de beste hardloper aller tijden is, neemt in etappes afscheid. Zoals nu in New York, aan de vooravond van de marathon.

Foto Clemens Rikken/Hollandse Hoogte

Die lach, die we allemaal kennen, was altijd van een unieke innemendheid. Kwam het door die rij witte tanden of waren het zijn donkerbruine ogen die hij zo vakkundig samenkneep dat je niet anders kon dan zijn houding spiegelen? Voor je het weet stond je mee te schokschouderen, was je ingepakt. Hij lachte altijd, ook toen hij in 2004 zijn olympische titel was kwijtgeraakt. In Athene knuffelde hij zijn landgenoot Kenenisa Bekele, zijn opvolger op de lange afstand. De wereld kon wel huilen, maar Gebrselassie was op dat moment de belichaming van levensvreugde en relativering, zo leek het tenminste.

In hardlooptricot oogde hij vrij en onbevangen, maar inmiddels is er iets aan zijn houding veranderd. Hij is bezorgder geworden, fronst, oogt nerveus. Hier in de Marathon Pavilion in Central Park zit hij op een rij met andere grootheden uit de loopsport – Paula Radcliffe (nog altijd verreweg ’s werelds snelste vrouw op de marathon) en Paul Tergat (ooit zijn rivaal, nu zijn boezemvriend uit Kenia) – maar die grijns, zijn handelsmerk, is er eentje op bestelling, telkens maar van korte duur. Hij heeft nu veel meer aan zijn hoofd dan hardlopen alleen.

Haile Gebrselassie, voor velen de grootste langeafstandsloper aller tijden, niet alleen door zijn negen wereldtitels en twee olympische gouden medailles maar ook en vooral door die charismatische persoonlijkheid, zit onrustig op een stoel naast het podium waar hij even later op zou worden geroepen om een glazen schaal in ontvangst te nemen. Met zijn collega-atleten maakt hij lol, maar tussendoor is hij er met zijn gedachten niet bij. Hij frunnikt aan zijn strak gesneden pak, dat bij zijn armen iets te ruim valt maar dat hem met pochet en gestreepte stropdas de uitstraling geeft van de zakenman die hij geworden is.

Het had niet veel gescheeld of hij was hier nu helemaal niet geweest om bejubeld te worden als nieuw lid van de Hall of Fame van the New York Road Runners, de organisatie van de grootste marathon ter wereld. Hij heeft thuis in Addis Abeba 2.000 man aan het werk te zetten, is daar veel liever om een oogje in het zeil te houden. Zijn Nederlandse manager Jos Hermens kon hem ternauwernood overtuigen van het belang hier een paar dagen te zijn, en zo geschiedde, maar niet van harte. Hij bewaart trouwens ook geen al te warme herinneringen aan The Big Apple. In 2010 stapte hij hier na 27 kilometer in de marathon uit met een knieblessure en daarvoor meed hij de stad al vanwege zijn astma. In zijn speech even later: „Maar ik zal de marathon hier ooit nog een keer uitlopen, het maakt me niet uit hoe, al finish ik achteraan.”

Haile Gebrselkassie is dan weliswaar gestopt met wedstrijden op niveau, hardlopen zal hij altijd blijven doen. Hij traint nog steeds twee keer per dag. ’s Ochtends om half zes gaat de wekker en dan trekt hij er in het donker op uit voor een rustige training van anderhalf uur. Geen zware tempowisselingen, hij loopt op z’n gemakje. Als hij thuiskomt, ontbijt hij vlug en dan brengt hij om half acht zijn vier kinderen – drie meisjes en een jongen – naar de internationale school, waar Eden, de oudste, een studie international business volgt. De gedachte is dat zij het bedrijf van haar vader uiteindelijk zal overnemen. Geen van de vier heeft overigens aspiraties om te gaan hardlopen, ondanks de aanmoedigingen van hun ouders.

Hailes werkdag begint om acht uur en duurt tot vijf. Tussen de middag komt hij steevast thuis lunchen, in zijn villa bovenop een heuvel even buiten de stad. Dan staat er lamsvlees voor hem klaar, elke dag weer. Na het werk volgt weer een training van een uur, met een groep bevriende lopers. Zoveel toplopers beginnen na het beëindigen van hun carrière snel met het afbouwen van hun trainingen, maar zo niet Gebrselassie. „O nee, hardlopen is een verslaving voor mij.”

Trainen en werken, het biedt hem troost en afleiding in een jaar waarin hij in Manchester afscheid nam van de competitieve loopsport en hij zijn oudste zus Shashe, als een moeder voor hem, aan darmkanker verloor. Moeder Gebrselassie overleed toen Haile zeven jaar was, ook aan darmkanker, en onlangs werden twee van zijn oudere broers in Nieuwegein behandeld voor dezelfde ziekte.

Met 42 jaar en zo’n familiegeschiedenis zou hij nu zelf ook regelmatig op controle moeten, maar hij wil er niets van weten. „Ja, natuurlijk ben ik bang, dat zou iedereen zijn in mijn situatie”, zegt Gebrselassie terwijl hij zijn schouders ophaalt. „Maar het gaat harstikke goed met me, ik heb nergens last van.”

Zijn zus Shashe werd tot op het laatste moment in Bangkok behandeld aan haar ziekte, uiteindelijk vergeefs.

Haile is koppig, zegt zijn vrouw Alem, die met hem is meegereisd naar New York – nu wel, nu hij geen wedstrijd meer hoeft te lopen. Op die momenten in zijn carrière bleef ze liever bij hem uit de buurt, want zijn nerveuze gedrag maakte hem er niet gezelliger op. Liever bouwt Haile zijn imperium uit. Dat bestaat inmiddels uit drie luxe hotels, een koffieplantage, vier kantoorpanden en sinds kort een goudmijn. Volgens Hermens is Haile & Alem International PLC inmiddels minstens tientallen miljoenen euro’s waard. Die goudmijn raadde Hermens zijn cliënt en vriend ten strengste af, zeker toen hij van plan was met Russen in zee te gaan. Maar sinds Gebrselassie niet meer loopt, is hij ook minder vatbaar voor de adviezen van zijn manager.

Ondanks al die kopzorgen die Gebrselassie wat van zijn flair ontnomen hebben, gebeurt er iets in een ruimte waar hij alleen maar doorheen wandelt. Als een magneet trekt hij fans aan die voorover gebogen proberen zijn blik te vangen, die met hem op de foto willen.

Dan weer die glimlach, die binnen een seconde ook weer verdwenen is. Hermens leerde hem dat in de jaren negentig en Gebrselassie kan het nog steeds. ‘Sa’k’ (Ethiopisch voor lachen), riep Hermens zijn ruwe diamant toe op het moment dat de camera’s op hem werden gericht. En Haile lachte.

Alem is blij dat haar man even weg is uit Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië. Weg uit Addis betekent weg van het imperium dat nota bene ook naar haar is vernoemd. In New York kunnen ze tussen alle ceremoniële verplichtingen door eventjes van elkaar genieten – samen uit eten in Manhattan, een rood wijntje erbij, overdag shoppen voor de kinderen van wie ze een lijst met cadeauwensen meekregen. Dat is er thuis niet bij, vertelt ze. Daar werkt Haile van maandag tot en met zaterdag, en eigenlijk ook op zondag, wanneer hij bij het lezen van de krant, The Reporter, of tijdens het paardrijden met het gezin nadenkt over de nieuwe werkweek.

Maar Alem komt in New York bedrogen uit. Ook op 11.000 kilometer afstand kan Haile de zaak niet loslaten. „Bizzenizz”, zegt hij terwijl hij doet alsof hij met iemand aan de telefoon zit, „does never stop.” Een van zijn beste vrienden mag dan over de zaak waken nu hij in New York zit, maar zijn mobieltje is nooit ver weg.

In de jaren negentig, toen Gebrselassie wereldtitels begon te winnen alsof het om plaatselijke crosswedstrijdjes ging, investeerde hij zijn prijzengeld in vastgoed, kantoorpanden aan Bole Street, de hoofdstraat van Addis. Het enorme Alem Building kocht hij ten tijde van het communistische regime van premier Meles Zenawi en inmiddels is de waarde daarvan verveelvoudigd. „Het gaat erg goed met de zaak”, zegt Alem met een meisjesachtige blik in haar ogen, „maar Haile wil altijd meer. Zijn grootste wens is om president van Ethiopië te worden. Dan pas kan hij zijn land echt gaan veranderen.”

Tijdens de persconferentie was het er even daarvoor ook al over gegaan. Weer die enorme grijns, die kleine, samengeknepen oogjes. „Alles is mogelijk voor mij”, antwoordt hij op de vraag of hij serieus is met zijn plannen. Hij heeft er de laatste jaren geen geheim van gemaakt zijn geboorteland te willen leiden, en Ethiopië mee te laten doen op het wereldtoneel.

Zijn echtgenote vindt het een slecht idee. „Haile is nu een held in het hele land, iedereen heeft groot respect voor hem. Als hij ooit president wordt, zal dat anders worden. Dan moet hij ook beslissingen nemen die niet voor iedereen goed uitpakken. En dat kan nog wel eens heel gevaarlijk worden.”