Een testcase voor de Holleederzaak

Endstra werd vermoord in 2004. Maandag staan drie verdachten terecht. Maar niet de mogelijke opdrachtgever.

Technische recherche bij de auto van Willem Endstra op de Apollolaan, in 2004. Foto Maurice Boyer/NRC

Willem Endstra was een onverwoestbare optimist. Een slepend conflict met twee kopstukken uit de Amsterdamse onderwereld – Willem Holleeder en John Mieremet – had hem op de rand van de financiële afgrond gebracht. Maar op maandag 17 mei 2004 zou de 51-jarige vastgoedbaron op zijn kantoor aan de Apollolaan een vastgoeddeal afronden. „Er komt weer geld binnen” had Endstra gezegd, „het komt allemaal goed.”

Dit keer was het voorbarig optimisme. Die maandag werd Wim Endstra om tien over twaalf geliquideerd – als een ordinaire crimineel. Volgens getuigen gaf de schutter, gekleed in een rode jas, Endstra van dichtbij een genadeschot.

Hoewel Endstra al jaren bekendstond als de „bankier van de onderwereld”, kwam de liquidatie als een verrassing. Alleen intimi vertelde Endstra dat hij grote problemen had met Holleeder „Als ik vermoord word, heeft Holleeder het gedaan”, vertelde hij aan zijn vertrouwelingen.

Endstra voelde zich zo in het nauw gedreven dat hij in het jaar voor zijn dood vaak sprak met de politie over bedreiging en afpersing. Holleeder werkte daarbij volgens Endstra samen met twee andere criminelen: Dino S. en de in 2011 doodgeschoten Stanley Hillis. Waren zij de opdrachtgevers? En wie voerde die opdracht uit?

Maandag begint de strafzaak tegen drie verdachten die volgens het Openbaar Ministerie de liquidatie van Endstra hebben uitgevoerd. Het gaat om twee Turkse neven die in Alkmaar werden geboren: Ali N. en Ozgür C. Hun baas was volgens justitie Ziya G., die zich vermoedelijk schuilhoudt in Turkije. Hij wordt bij verstek berecht.

De drie worden verdacht van het medeplegen van de moord op Endstra en poging tot moord op een zakenpartner die in zijn been werd geschoten. Justitie ziet Holleeder als de opdrachtgever van de moord op Endstra. Hij wordt echter in een aparte strafzaak vervolgd.

De eerste concrete aanwijzing dat de drie Turkse verdachten en Willem Holleeder betrokken waren bij de moord op Endstra kwam in 2005. Toen meldde een bron uit het criminele milieu aan de politie dat Willem Holleeder Ziya G. had benaderd om Endstra te liquideren.

Opvallend detail uit die melding: De daders zouden een blauwe Alfa Romeo hebben gebruikt. Wat niemand toen kon weten was dat de politie in augustus 2004 inderdaad een gestolen blauwe Alfa Romeo had gevonden. Daarin lagen het moordwapen en een rode jas waarop dna-materiaal werd aangetroffen dat ook op de kogelhulzen zat. Eerder waren ook al aanwijzingen gevonden in een gestolen rode Mercedesbus die enkele dagen na de moord op Endstra in de buurt van zijn kantoor was gevonden.

Al dit bewijsmateriaal wist de politie in 2006 te koppelen aan Ziya G. toen hij zich in dat voorjaar bij de politie meldde met een verzoek. Hij wilde de sleutels hebben van een auto van een vriend die na een vechtpartij was aangehouden. In die auto werden twee wapens gevonden. De wapens waren van de gearresteerde vriend van Ziya G.: Ozgür C. Veel interessanter was dat de vingerafdruk van Ozgür C. was gevonden op een parkeerkaartje dat lag in de rode Mercedesbus en was gekocht op 17 mei 2004 om 9.10 uur.

Deze bus was, zo vermoedde de politie, op de ochtend van de moord gebruikt als uitvalsbasis. Na Ozgür C. kwam ook de derde verdachte in beeld: Ali N., een neef van Ozgür en een begaafd muzikant. De twee mannen werden in december 2006 aangehouden. Ziya G. ontsnapte de dans omdat hij in Turkije verbleef. Ondanks de vele aanwijzingen kreeg justitie de zaak niet rond en moesten de twee Alkmaarse neven worden vrijgelaten.

Toen niemand het meer verwachtte, kreeg justitie alsnog zicht op de schutter. De doorbraak kwam in 2011 toen de Duitse politie de internationaal gesignaleerde crimineel Namik Abbasov aanhield voor verboden wapenbezit. Zijn dna kwam overeen met het dna op het moordwapen, kogelhulzen en de rode jas.

Toen Abbasov eind 2011 werd aangehouden in Polen, trof de politie op zijn computer foto’s aan van hemzelf en Ziya G. Na zijn uitlevering naar Nederland zweeg de Rus tijdens verhoren, maar tijdens pauzes liet hij af en toe wat los. Zo zei hij tegen een gevangenbewaarder dat zijn advocaat werd betaald door de groep rond Holleeder.

Daarmee had justitie niet alleen de uitvoerders in beeld maar ook de opdrachtgever: Willem Holleeder, de man die in 2007 werd veroordeeld voor de afpersing van Wim Endstra. Maar de uitlatingen van Abbasov kunnen niet meer worden gecontroleerd: in april 2012 overleed hij in zijn cel aan de gevolgen van een herseninfarct.

Opnieuw leek de zaak kapot maar in de zomer van 2012 meldde zich een nieuwe getuige: Hidr K., een Turkse crimineel die lid was geweest van de groep rond Ziya G. Het duurde echter twee jaar voordat zijn verklaring aan het dossier werd toegevoegd, door eisen die Hidr K. stelde in ruil voor zijn verklaring. Hij voelde zich bedreigd en wilde alleen meewerken als hij geld kreeg om zichzelf te beschermen.

Eind 2014 kwam die deal rond. Hidr K. stelt dat Holleeder contact had met Ziya G. en dat de moord op Endstra werd besteld door het driemanschap dat de vastgoedbaron zelf ook noemde: Holleeder, Hillis en Dino S.

Minder bruikbaar is de stelling van Hidr K. dat de fatale schoten niet werden gelost door de Rus Abbasov maar door een andere Turkse crimineel die tot de groep van Ziya G. behoorde. Om die reden wordt Hidr K. door de advocaten van de verdachten omschreven als „een fantast”.

Of de rechter dat ook vindt zal de komende maanden blijken. Op dit punt is de rechtszaak tegen de drie Turkse verdachten een testcase voor de stelling van Wim Endstra: „Als ik word vermoord, dan heeft Holleeder het gedaan.” Worden de drie Turkse verdachten veroordeeld dan zal de echo van Endstra’s woorden harder klinken in de strafzaak tegen Holleeder zelf.