Een plagiaatkwestie, en een paar aanvullende vragen

Ach, de stagiair. Een deerniswekkende figuur in de journalistieke annalen, vaak uitgebuit en belachelijk gemaakt. Of toch een potentiële fraudeur?

NRC Handelsblad opende donderdag een Mediapagina met het bericht Volkskrant stuurt stagiair weg vanwege plagiaat. Nrc.next wijdde vrijdag een pagina aan het onderwerp (Stagiair Volkskrant weg na plagiaat, 30 oktober). Een stagiair blijkt in ongeveer eenderde van zeventig stukken die hij voor die krant schreef, passages te hebben overgeschreven.

Voor de Volkskrant is dit uiteraard een grote, pijnlijke zaak. Maar de NRC-kranten pakten het ook fors aan, zij het wel tamelijk achter in de krant (de pagina Media, en in next pagina 27). Met naam en toenaam van de nu 20-jarige betrokkene, die door de Volkskrant was onthuld. Trouw bracht vrijdag een kort bericht, zonder de naam van de jongen.

Natuurlijk speelt hier de ‘Ramesar-reflex’ mee, naar de affaire rond de Trouw-journalist die vorig jaar werd betrapt op het verzinnen van bronnen. Sindsdien is, na wetenschapsfraude, bedrog binnen de journalistiek een heet onderwerp.

Wederhoor was overigens nog niet verkregen in dat eerste bericht in NRC Handelsblad. De auteur stuurde pas ’s middags een mail, en kreeg later die avond antwoord. Betrokkene liet weten dat hij niets toe te voegen had aan het verhaal zoals dat naar buiten was gebracht.

Hoofdredacteur Remarque van de Volkskrant verdedigde het besluit de naam van de jongen te noemen zo: de krant heeft de plicht lezers te vertellen om welke stukken het ging; de redactie moet worden beschermd tegen onterechte verdenkingen, en de betrokkene tegen een digitale klopjacht. Remarque onderhoudt, schreef hij op zijn blog, contact met de jongen en met zijn ouders, „die dit ook de juiste aanpak vinden”. Een stagiair en zijn ouders – enig medelijden lijkt hier ook op zijn plaats.

Voor NRC lijkt dat eerste – aangeven om welke stukken het ging – mij het argument om de naam van de jongen toch ook te noemen. Hij publiceerde ook zeven stukken in nrc.next, en één in NRC Handelsblad. Die worden nu onderzocht. Dat ging overigens om opiniestukken, niet om verslaggeving.

Hier is wel iets verschoven. In de eerdere zaak-Ramesar was NRC Handelsblad vorig jaar nog supervoorzichtig. Zijn naam werd bewust niet genoemd toen Trouw dat ook nog niet deed, al wist de redactie om wie het ging. Sterker, de naam werd door de hoofdredactie uit een column gehaald. Argumenten die toen werden gebruikt: Trouw doet het zelf niet; de naam mag overal te vinden zijn, wij maken een eigen afweging; er was maar één solide bron voor de naam en nog geen wederhoor; en, als laatste, wat doet de naam er eigenlijk toe?

Dat vond ik toen overdreven voorzichtig. Niet zozeer omdat de redactie wist om wie het ging, maar omdat namen noemen hoort bij de journalistiek en het een bekende journalist betrof wiens stukken grote impact hadden gehad. Ramesars reportage over de ‘shariadriehoek’ in Den Haag wekte landelijke beroering. Na een interne discussie paste NRC de koers aan, en verscheen Ramesars naam wel in de krant.

Maar behalve de naam is er de vraag naar duiding en proportionaliteit. Wat is het bredere, publiek belang van deze zaak? Nrc.next probeerde de zaak vrijdagochtend in perspectief te plaatsen met vijf vragen (onder meer: ‘Lijkt dit op Perdiep Ramesar?’, en ‘Is er een instantie die op plagiaat controleert?’).

Allemaal nuttige vragen, al waren niet alle antwoorden even scherp. „Ramesars stukken hadden wel meer maatschappelijk impact”, staat er een tikje zuinig. Nou, de stukken van deze jonge verslaggever vielen wel op maar hadden, voor zover ik heb kunnen nagaan, geen maatschappelijke of politieke impact.

Als we dan toch vol inzetten op deze treurige zaak, mag ik dan nog enkele aanvullende vragen suggereren?

Vraag 6. Wanneer hoort een naam eigenlijk boven een stuk? Moet daar voor stagiaires of beginnende journalisten geen uitzondering voor worden gemaakt, tenzij ze met een geweldig stuk of primeur komen? Dan neemt de redactie als geheel de verantwoordelijkheid voor hun werk. Overigens, het lange vragenstuk in nrc.next verscheen juist zonder auteursnaam – het was een coproductie, is de verklaring.

Vraag 7. Hoe normaal is knippen en plakken geworden in de journalistiek? Het stuk in nrc.next behandelde de vraag hoe plagiaat zich verhoudt tot het overnemen van algemeen bekende nieuwsfeiten. Maar niet het verschijnsel van ‘aggregatiejournalistiek’, journalistiek die vooral te vinden is op sites en die grotendeels bestaat uit knippen en plakken. Daar hoort in principe bronvermelding bij, maar de grens met plagiaat is soms flinterdun. Ik schreef er onlangs over naar aanleiding van een bericht op nrc.nl (Online journalistiek moet meer zijn dan aggregeren, 26 september). Rapper Lange Frans kan erover meepraten. Die wond zich er deze week over op, toen de site van het AD uitspraken van hem uit NRC verkeerd had weergegeven, aanvankelijk zonder bronvermelding.

Vraag 8. Hoe gaan media om met jong talent? De hamvraag. Ik vind het ongelooflijk dat een stagiair in vijf maanden tijd zeventig stukken kan publiceren, zoals de Volkskrant meldde. Zijn ambitie sloeg met hem op hol, lichtte de hoofdredacteur toe. Die de hand overigens ook diep in eigen boezem stak. Ja, de prestatiedruk voor jongeren in de journalistiek is enorm, succes moet snel komen. Dat roept de vraag op hoe nieuwsorganisaties beginnend talent begeleiden en journalistieke mores bijbrengen.

Ook bij NRC is er, na de Ramesar-zaak, al eens over gesproken om zulke ontsporingen te voorkomen.

Dat moet blijven gebeuren, want zeker kwaliteitsmedia hebben de dure plicht om beginnende journalisten ambachtelijk te scholen, en daar ook de tijd voor te nemen. Dat is beter dan rijzende sterren te kweken die opeens met een kartonnen doos op straat staan. Als de leerling faalt, is immers de vraag ook: waar was de meester eigenlijk?