De samenleving is uit elkaar gereten

Robert Putnam was de maatschappijcriticus die Obama, Bush en Balkenende inspireerde. Nu waarschuwt hij voor groeiende ongelijkheid in Amerika, ooit het land van de onbegrensde mogelijkheden.

Putnam: In Amerika verwachten ze alleen nog dat je gaat preken voor eigen parochie, en je tegenstander afmaakt. Ik wil zieltjes winnen, niet mensen aanspreken die dit toch al vinden.

Robert Putnam woont in een klein, vrijstaand huis, met uitzicht op de campus van Harvard University. In de hoek van de woonkamer staat een flip-over, die hij vaak gebruikt om zijn gedachten te ordenen. Op een tijdlijn, 1960 tot 2015, heeft hij met een viltstift twee lijnen getekend. Ze beginnen op hetzelfde punt, maar één gaat steil omhoog (‘rijke kinderen’, heeft hij erbij geschreven), en de ander net zo steil naar beneden (‘arme kinderen’).

„Dit had een weergave van een traditionele, Europese klassenmaatschappij kunnen zijn”, zegt hij, terwijl hij er met peinzende blik voor staat. „Maar dit is Amerika! Het land waar we elkaar altijd wijsmaakten dat het niet uitmaakt wie je bent, dat je alles kunt bereiken.” Wijzend op de flip-over: „Dat daar is de werkelijkheid. Wat ze zeggen, is een leugen.”

Eén simpel grafiekje heeft Robert Putnam nodig om te illustreren wat er volgens hem mis is in zijn land. De Amerikaanse droom, zegt hij, is dood. Het idee dat al in 1843, in het allereerste nationale schoolboek, zo werd omschreven: „De weg naar welvaart, eer, nut en geluk is open voor allen.” Zo leerde hij het nog op school, toen hij in de jaren vijftig opgroeide in het stadje Port Clinton, Ohio. En zo was het ook.

Robert Putnam (74), hoogleraar politicologie aan Harvard, straalt iets melancholisch uit. Hij draagt een Abraham Lincoln-baard, en heeft een hoffelijkheid die charmant gedateerd aandoet. Maar pas op, zegt hij. Hij wil het verleden niet ophemelen, of praten over hoe slecht het nu gaat. Het leven was niet fraai toen hij opgroeide. Zwarte dorpsgenoten hadden nauwelijks rechten. De meeste vrouwen in Port Clinton werkten nauwelijks.

Onlangs verscheen zijn nieuwe boek, Our Kids, waarin Putnam beschrijft hoe de Amerikaanse droom is verdwenen. „Wie rijk geboren wordt, academisch opgeleide ouders heeft”, zegt Putnam, „heeft alle kansen om het ver te schoppen in Amerika. Er zijn goede scholen beschikbaar, ouders steken veel tijd in hun kinderen, er is een groot sociaal vangnet. Maar de middenklasse bestaat bijna niet meer. En de onderklasse stort in.”

Voor zijn boek keerde Putnam terug naar Port Clinton. Putnam praatte met zijn klasgenoten van weleer. Hij zocht bijvoorbeeld Libby weer op, een dochter in een boerengezin van tien kinderen. Ze kreeg altijd de kleren van haar oudere zussen. Haar ouders hadden geen geld voor speelgoed, en Libby hielp vooral mee op de boerderij, en in de kerk. Na school trouwde ze jong, maar het huwelijk liep na twintig jaar stuk. Toen begon ze een carrière buitenshuis: ze werd secretaresse, daarna journalist, zit in de gemeenteraad en is parttime dominee. Het verhaal van Libby, zegt Putnam, is typisch voor de leden van zijn generatie. Ze werkten zich gaandeweg op. Ruim 80 procent van zijn klasgenoten, ontdekte hij, is er beter aan toe dan de vorige generatie.

Putnam: „De inkomensverschillen tussen mijn ouders, en de ouders van mijn klasgenoten, waren redelijk beperkt. Iedereen kreeg redelijk onderwijs. Er was een fabriek, een legerbasis, en veel inwoners werkten op de omliggende boerderijen.” En kinderen van verschillende klassen gingen naar dezelfde school, woonden bij elkaar in de straat, gingen naar dezelfde kerk. Ze trouwden soms met elkaar.

U omschrijft Port Clinton als een microkosmos van Amerika. Hoe heeft het stadje kunnen versplinteren in ‘een nachtmerrie in splitscreen’, zoals u het noemt?

„Niet alleen zijn de inkomensverschillen gegroeid, de stad is uit elkaar gereten. Universitair geschoolden wonen niet meer bij mensen die alleen op de middelbare school hebben gezeten. Hun kinderen doen het prima, maar wie uit een lager opgeleid milieu komt, kan nooit meer aanhaken. Het is het gevolg van een scheefgegroeid systeem van kansen. We hebben van Amerika een klassenmaatschappij gemaakt.”

U gold in het verleden juist als een optimist, als het over ongelijkheid ging. Waarom bent u omgeslagen?

„Het begon in deze woonkamer. Ik zat daar, in die stoel. Ik zat te praten met een groep studenten. Ik had ergens cijfers gelezen over een toename van vrijwilligerswerk onder jongeren, en dat interesseerde me. Goed nieuws, leek me.

Toen nam een meisje het woord. Ze kwam uit een arm gezin, zei ze. Volgens haar deed niemand in haar omgeving aan vrijwilligerswerk. De enigen die dat doen, zijn de kinderen van rijke ouders die hun cv willen aandikken. Zodat ze naar Harvard of Yale kunnen. In andere sociale klassen is die ambitie er niet meer, zei het meisje. Ik ging het uitzoeken, en ze had gelijk. Vanaf dat moment begon ik aan de losse draadjes te trekken. Het begon me te dagen dat de stijgende inkomensverschillen niet zomaar ontstaan. Te weinig mensen zien dat in.”

Misschien omdat Amerikanen zichzelf graag zien als ‘selfmade’. U zegt: succes hangt vooral af van je omgeving.

„Ikzelf was ook bevooroordeeld. Veel mensen van mijn leeftijd, zeggen dat ze omhoog konden klimmen door eigen keuzes. Dat is een mythe. Omdat we daarin blijven geloven, zeggen we: als ik het kon, waarom kunnen mensen nu dat dan niet? De mensen aan de bovenkant hebben vaak verrassend slecht door hoe de samenleving werkt.”

En u maakt er zelf deel van uit. U kwam met het idee van een ‘beugeltest’.

Hij lacht. „Nou, eigenlijk was dat een idee van mijn vrouw. Maar dit was ons plan: toen we naar Boston verhuisden, wilden we een goede school voor onze kinderen vinden. Mijn vrouw kwam met het idee het aantal beugels te tellen. Hogeropgeleide ouders besteden meer geld aan de verzorging van kinderen. En hoe meer beugels, des te beter de school. Hierdoor deed ik zelf mee aan een systeem dat niet klopt.”

Putnam weigert schuldigen aan te wijzen voor deze „systeemfout”. Links en rechts, zegt hij, hebben eraan meegewerkt. „Links vergeet dat welvaart ook te maken heeft met sterke families.” Hij bedoelt: gezinnen vallen veel sneller uiteen onder kansarme bevolkingsgroepen. Daarbij worden bevoorrechte kinderen groot met veel meer autonomie en eigenwaarde, terwijl kinderen uit armere milieus vooral leren te gehoorzamen en zich aan te passen, en vaker fysiek gestraft worden. Maar gezinsmoraal is geen populair progressief onderwerp, zegt Putnam. „Ik ben een progressieve Democraat, dus ik had niet verwacht dat de meeste kritiek van links zou komen. In Amerika verwachten ze alleen nog dat je gaat preken voor eigen parochie, en je tegenstander afmaakt. Dat is het niveau van het debat hier. Ik wil zieltjes winnen, niet mensen aanspreken die dit toch al vinden.”

Rechts heeft een eigen blinde vlek. Conservatieven geloven sneller dat het speelveld voor iedereen min of meer gelijk is, en dat iedereen het eigen succes in grote mate zelf bepaalt. „Links en rechts hebben hebben half gelijk, maar kunnen het probleem alleen oplossen als ze oog hebben voor de andere kant. Omdat links en rechts elkaar niets gunnen, wordt het probleem groter.”

Kan de oplossing wel uit Washington komen?

„Nee. Ik ben enorm somber geworden over de staat van het Amerikaanse politieke stelsel. Dat zou iedere Amerikaan met verstand moeten zijn. We worden het al niet meer eens over de vraag hoeveel 2 + 2 is. Hoe komen we hier ooit nog uit? Als politicoloog weet ik dat conflict belangrijk is in de politiek. Maar de hersenloosheid van nu is vreselijk.”

Robert Putnam vergelijkt de staat van Amerika nu met die van de zogeheten Gilded Age, de tijd tussen circa 1870 en 1900. „We hebben dit eerder meegemaakt. In de Gilded Age zag je een enorme welvaartsgroei. Mensen werden schatrijk. Maar de armoede nam ook snel toe. Er was veel migratie, een enorme kloof tussen politiek en burger, achterdocht tegen politieke ideeën om de ongelijkheid te bestrijden. Toen kwam de pseudowetenschappelijke theorie van het sociaal darwinisme op. De gedachte was: iedereen moet egoïstisch zijn, alleen zijn eigen geluk nastreven, dan is Amerika beter af.”

Die theorie is nog altijd populair bij Republikeinen, dankzij de invloed van Ayn Rand [1905-1982, schrijfster van The Fountainhead en Atlas Shrugged].

„De Republikeinen lezen haar nu allemaal weer. Daarom heeft die theorie van doorgeslagen egoïsme de laatste decennia weer school gemaakt. Maar het zit ook dieper in de samenleving. Politiek, maar ook mentaal zitten we weer in de tijd van de Gilded Age.”

Een paar decennia later volgde de New Deal, de sociale hervormingen van Roosevelt. Kan Amerika ook nu zo’n omslag maken?

„Ja, dat stemt me weer wat vrolijker. Na de eeuwwisseling heeft Amerika zich het probleem aangetrokken, en in vijftien jaar is alles omgeslagen.”

Een grote rol speelde volgens Putnam destijds de Deens-Amerikaanse fotograaf en journalist Jacob Riis, die in het fotoboek How the Other Half Lives in 1890 liet zien hoe arme Amerikanen leefden. Putnam: „Rijke Amerikanen schrokken ervan, en drongen aan op hervormingen om de onderklasse te steunen. Het was meestal heel praktisch: ze wilden meer belasting betalen, zodat er schoon water kwam, of een riolering. Ik denk wel dat weer zo’n collectief inzicht in gang moet worden gezet door, heel simpel, de levens van Amerikanen te beschrijven. Niet om mezelf met Riis te vergelijken, maar ik wil daaraan bijdragen.”

U vergeleek president Obama een paar jaar geleden nog met Johannes de Doper. Maar onder hem zijn de verschillen alleen maar groter geworden.

„Ik maakte die vergelijking, omdat ik hoopte dat hij ongelijkheid blijvend zou agenderen. Dat doet hij ook wel, maar hij heeft zijn beperkingen. Washington gaat het niet oplossen. In Europa, het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld, zie je nog weleens dat van bovenaf grote hervorming worden ingevoerd. Ik ben geen antioverheidsman, maar in Amerika gaat dat niet meer. Zeker niet met de polarisatie van nu.”

Hoe overtuig je welgesteld Amerika nu meer belasting te betalen?

„De eerste stap is dat iedereen ziet dat dit het grootste probleem van het Amerika van nu is. Ik doe er alles aan om van de ongelijkheid hét thema van de verkiezingen van 2016 te maken. Dwing de presidentskandidaten erover te praten. En het lukt. Hillary Clinton, Bernie Sanders. Zelfs Jeb Bush hoorde ik het noemen. Hun ideeën verschillen, maar er ontstaat tenminste debat.”

Wat zou Obama kunnen doen?

„Hij zou ruim baan moeten geven aan lokale pioniers. Er gebeurt genoeg. De stemming slaat om in Amerika. Californië besloot per referendum [in 2012] zelf de belastingen te verhogen, zodat er niet op onderwijs bezuinigd hoefde te worden. Een geweldig initiatief, dat aantoont dat een nieuwe tijd aanbreekt. Daar zou hij een landelijk debat over kunnen beginnen.

„Of neem het minimumloon. Er is opeens verbazingwekkend veel maatschappelijke steun voor een verhoging. Op sommige plekken is het verhoogd naar vijftien dollar per uur [het federale minimumloon is 7,25 dollar] Het tijdperk-Ayn Rand is langzaam voorbij aan het gaan. We gaan de laatste vier, vijf jaar voorzichtig de communautaire kant op. Ik word iets optimistischer.”

Hij pauzeert even. Dan zegt hij: „Maar dan kijk ik tv en zie ik Donald Trump. Gisteren nog. Dan denk ik weer: we zijn niets opgeschoten.”