De robot wordt eerder arts of advocaat dan kapper

Robots staan hoog op de agenda omdat ze banen zouden inpikken, maar wat kunnen ze echt al beter dan mensen? Veters strikken is nog te moeilijk, blijkt in de meest geavanceerde robotlabs ter wereld.

Illustratio Rik van Schagen/ Studio NRC

Ava lijkt een beetje hulpeloos om zich heen te kijken. De robot, ongeveer anderhalve meter hoog, heeft een beeldscherm als gezicht met daarop de persoon die haar (of hem?) op afstand aanstuurt. Diegene kan met Ava virtueel door een gebouw rijden en via de ingebouwde microfoon en speaker met voorbijgangers praten. Ze vindt grotendeels zelfstandig haar weg. Handig voor het bijwonen van vergaderingen op afstand bijvoorbeeld.

Nu rijdt ze door een kamer in een voorstad van Boston vol prototypes, die fabrikant iRobot de cool stuff room noemt. Maar Ava loopt ineens vast bij de deur en botst een paar keer met haar wielen tegen de rand. Dat gaat behoorlijk hard: de glazen sponning trilt ervan. „Open de deur alstublieft”, verschijnt er op Ava’s scherm, ze draait onbestemd wat rond. Robot in de war. „Een glazen deur is een van de moeilijkste dingen om te herkennen voor de visuele systemen van robots”, verklaart productmanager Marcio Macedo van iRobot, dat met ongeveer een half miljard euro omzet en 530 werknemers de wereldmarktleider is in commerciële robots. „Net zoals vogels bijvoorbeeld moeite kunnen hebben met ramen.”

Het is op zich knap dat een apparaat zelfstandig door gebouwen kan navigeren. Maar de klunzigheid met glazen deuren van Ava, een van de meest geavanceerde robots in haar soort, staat in contrast met de discussie die wereldwijd woedt over robotisering. Wat als robots allerlei banen gaan inpikken? Die vraag staat bovenaan de agenda bij veel ondernemers, onderzoekers en beleidsmakers, ook in Nederland. Volgende maand presenteert de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid er een rapport over. De zorgen gaan over meer dan alleen de klassieke, rechtopstaande robots zoals Ava, maar ook over kunstmatige intelligentie en softwarerobots die steeds slimmer worden.

Wat in die discussies vaak ontbreekt: hoe hard gaat het eigenlijk met de technologie zelf? Als een deur doorgaan al te moeilijk is, wat kunnen robots dan echt al beter dan mensen?

„Uhm.. Lassen”, zegt Daniela Rus. Zij is hoogleraar robotica en directeur van het robotinstituut van de Amerikaanse technische universiteit MIT in Cambridge, vlakbij Boston. Dat is een van de meest geavanceerde laboratoria ter wereld. „Lassen is moeilijk en gevaarlijk voor mensen, robots doen dat veel beter en sneller.” Ook met zwaar tillen en andere repetitieve fysieke taken verslaan robots mensen met gemak. „Maar een tafel dekken of een vaatwasser inruimen kunnen ze nog lang niet. En je moet ze ook niet vragen om veters te strikken.” Oog-handcoördinatie, fijne motoriek in veranderlijke situaties, een ruimte in kaart brengen en er doorheen lopen zoals als een mens dat kan: daar zijn ze slecht in.

Spectaculaire plannen

Dat gaat ook nog wel een tijdje duren, denkt Chris Jones, directeur technologie-ontwikkeling bij iRobot. „Hardware is hard, het is gewoon erg moeilijk om alle motoriek, sensoren en visuele systemen goed op elkaar te laten aansluiten.” Veel concurrenten van iRobot halen de laatste tijd het nieuws met spectaculaire plannen en gelikte crowdfunding-campagnes voor geavanceerde robots. Het bedrijf Boston Dynamics pronkt bijvoorbeeld met filmpjes van oersterke robots die moeiteloos over heuvels heen rennen. Maar er zijn weinig tot geen robots al daadwerkelijk op de markt die meer kunnen dan één specifieke, repetitieve taak. „Voor miljoenen dollars een prototype maken is iets anders dan een betaalbaar massaproduct”, zegt Jones. Hij wil geen concrete voorspelling doen. „Maar daar zijn we nog lang niet. Dat duurt nog vele jaren, misschien wel decennia.”

Illustratief voor hoe moeizaam het gaat met de hardware is een YouTube-filmpje dat deze zomer viral ging. Daarin is een compilatie te zien van allemaal omvallende robots bij de DARPA Robotics Challenge, een van de belangrijkste robotevenementen in de wereld. Allerlei robots struikelen, vallen over randjes en verliezen hun evenwicht bij demonstraties, de een nog knulliger dan de ander.

Kunstmatige intelligentie

Maar voordat ze helemaal weggehoond kunnen worden als klunzig: er zit meer in robots dan de hardware. Software bijvoorbeeld. Mede dankzij de cloud, servers op afstand waarmee robots in verbinding staan, groeit de rekenkracht die robots tot hun beschikking hebben hard. Het ‘brein’ van veel robots bestaat uit systemen op basis van kunstmatige intelligentie. Dat is bijvoorbeeld software die patronen kan herkennen in grote hoeveelheden data, en die patronen onthoudt zodat hij uit zichzelf slimmer wordt. Hoe meer rekenkracht zo’n systeem tot zijn beschikking heeft, hoe sneller die ontwikkeling gaat. „Het is echt heel spannend wat daarin nu allemaal gebeurt”, aldus hoogleraar Rus.

Misschien wel het bekendste voorbeeld van een systeem op basis van kunstmatige intelligentie is Watson, van automatiseerder IBM. Natuurlijk voedt IBM zelf graag wilde toekomstvisioenen van wat er later allemaal kan. Maar wat kan Watson nu al echt?

„Eigenlijk gaat het boven verwachting”, zegt Mark Kris, oncoloog in het Memorial Sloan Kettering-ziekenhuis in New York. Hij geeft in dat prestigieuze onderzoeksziekenhuis sinds 2012 leiding aan een project waarbij hij met Watson kankerbehandelingen beter op maat maakt van patiënten. Watson ploegt door al het laatste medische onderzoek en ontdekt daarin patronen en verbanden. Die koppelt hij vervolgens aan de medische geschiedenis van patiënten en andere factoren om te bepalen welke behandeling de arts moet kiezen voor specifieke soorten kanker. Daar zit namelijk enorme variëteit in.

Net als een co-assistent

„Nu moet je Watson nog van alles leren, net als een co-assistent. Maar op sommige gebieden is hij nu al die ervaren geleerde collega die erg veel weet.” Watson hoeft niet perfect te zijn: dat zijn menselijke artsen namelijk ook niet. Maar tegelijkertijd zijn nog grote hobbels te nemen, bijvoorbeeld het gestructureerd aanleveren van data. Voor een uitstekend werkende Watson heb je uitstekende patiënteninformatie nodig, die nu vaak ontbreekt. „Het einddoel van IBM van een apparaat dat alles weet en misschien zelfs zelfstandig beslissingen over behandelingen neemt, is nog ver weg. Decennia denk ik. Maar de eerste resultaten zijn veelbelovend.”

Watson zet, net als concurrenten van andere bedrijven, ook al zijn eerste stapjes in de advocatuur. Een robot zal niet snel een vlammend pleidooi houden; de creativiteit en sociale vaardigheid die daarvoor nodig is, snapt kunstmatige intelligentie nog niet. Maar in het complete Nederlandse wetboek net díe wettekst ontdekken die relevant is voor een bepaalde zaak, kan het des te beter. Veel beter dan de gemiddelde advocaat-stagiair waarschijnlijk.

Robotsoftware ontwikkelt zich dus sneller dan robothardware. Als je dat relateert aan banen, zou dat logischerwijs betekenen dat denkwerk eerder wordt overgenomen dan werk waarvoor fijne motoriek van belang is. Robots worden eerder advocaat of arts dan kapper.

Dat juist advocaten en artsen op robots moeten letten, is ook het punt van het recent verschenen boek The Future of the Professions van Oxford-economen Richard en Daniel Susskind. Niet alleen omdat de techniek zich ervoor leent en omdat het bij uitstek vakken zijn waarbij patroonherkenning belangrijk is. Maar ook omdat het beroepen zijn waarbij het loont om taken te automatiseren, al was het maar vanwege het uurtarief van de mensen die het nu uitoefenen.

Echt arts zijn

Oncoloog Kris denkt niet dat artsen ooit helemaal geautomatiseerd gaan worden. Robots en computers zullen er vooral voor zorgen dat artsen veel meer toekomen aan het zien van patiënten, denkt hij. „Watson kan een deel van de diagnostische en administratieve last overnemen zodat de arts juist tijd krijgt om echt arts te zijn.”

Er is ook wetenschappelijk bewijs voor wat Kris zegt. Afgelopen zomer presenteerde het Centraal Planbureau een studie waaruit zogeheten baanpolarisatie blijkt. Door robotisering en automatisering veranderen hoogwaardige banen weliswaar, maar ze blijven bestaan. Net als de ambachten in het lagere segment. Maar middelbare banen worden sneller geautomatiseerd.

Kijk naar wat er gebeurt bij banken en verzekeraars: die automatiseren de laatste jaren tienduizenden banen, vooral op middelbaar niveau. Denk aan klantenservicemedewerkers en orderverwerkers. Als je werk alleen bestaat uit het ontdekken van patronen in data, het zitten achter een computer en het klikken op een muis – dan wordt het oppassen de komende jaren.

Grotere ongelijkheid

Dat is ook de boodschap van Andrew McAfee, mede-auteur van de bestseller The Second Machine Age. Zijn ideeën hebben grote invloed wereldwijd, ook in Nederland. Over anderhalve week gaat hij op een congres van deze krant in discussie met onder meer minister Lodewijk Asscher (PvdA) van Sociale Zaken. McAfee is over het algemeen positief over robotisering, maar waarschuwt wel voor grotere ongelijkheid.

De kern van zijn betoog is dat de ontwikkelingen sneller gaan dan ooit, zelfs sneller dan mensen kunnen bevatten. Allerlei technologische ontwikkelingen komen de laatste jaren namelijk samen en versterken elkaar: de cloud, kunstmatige intelligentie, sensoren. Met betere sensoren krijg je betere data, waardoor kunstmatige intelligentie op zijn beurt sneller slim wordt bijvoorbeeld. De Wet van Moore zegt dat computers elke twee jaar dubbel zo snel worden. Er werkt een ongekende hoeveelheid bedrijven aan robots, wat zorgt voor snelle prijsdalingen.

Een voorbeeld dat McAfee en zijn medestanders vaak aanhalen, is de zelfrijdende auto. Daarmee is het veel sneller gegaan dan experts kort geleden nog dachten. Tot enkele jaren geleden dachten velen dat die nog decennia ver weg zou zijn. Ook van zelfrijdende auto’s waren tot voor kort makkelijk klunzige filmpjes te maken, maar vorige week activeerde fabrikant Tesla werkende zelfrijdfuncties voor op de snelweg. Als complete industrieën inzetten op robots zoals de autobranche de laatste jaren deed, kan het snel gaan, ook als de techniek nu nog niet zo ver is.

Tijd voor kinderen

Daar is hoogleraar Rus van het robotlab van MIT het helemaal mee eens. „Maar je moet voorzichtig blijven met dit soort voorspellingen. Ik ben optimistisch. Om te beginnen is er niet zoiets als een vaststaande hoeveelheid werk: als een robot iets leert, betekent het dat de persoon die dat eerst deed weer iets anders nuttigs kan doen. En dat zijn vaak leukere dingen. Ik zou bijvoorbeeld heel graag een robot willen die mijn was opvouwt, zodat ik meer tijd heb om door te brengen met mijn kinderen, of voor leuk werk.”

Ze wijst erop dat technologische ontwikkeling tot nu toe heel goed is geweest voor het welzijn van mensen: die heeft juist altijd gezorgd voor meer banen en meer welvaart. „En bovendien: robotisering is geen lichtknopje dat aan of uit gaat. Het is een geleidelijke ontwikkeling waarbij er nog tijd is om je erop voor te bereiden.” Feit is dat het verdwijnen van werkgelegenheid door technologische ontwikkeling al eeuwen wordt voorspeld, maar nooit echt werkelijkheid is geworden.

Chris Jones van iRobot waarschuwt bovendien voor al te bizarre voorspellingen over robots. „De verwachtingen van het grote publiek zijn soms te hoog gespannen. Robots zijn science, geen science fiction.” Er is heel veel moeilijk werk te doen voordat robots echt massaal banen kunnen overnemen. En zelfs als dat gebeurt, is er volgens hem geen reden voor angst. „Robots gaan mensen helpen, niet vervangen.”