‘Bij ethische dilemma’s is er geen juiste oplossing’

Gert van Dijk

(55) is ethicus bij artsenfederatie KNMG en het Erasmus MC en lid van een Regionale Toetsingscommissie Euthanasie.

Verlies

„Mijn vader overleed toen ik twee jaar was. Dat is altijd een groot gemis geweest. Nu ik zelf vader ben besef ik daardoor extra hoe belangrijk het is er voor mijn kinderen te zijn. Mijn moeder overleed aan borstkanker toen ik twintig was, na jaren van ziekte. Ik hoefde haar niet te verzorgen, maar onbezorgd mezelf ontdekken, zoals mijn kinderen nu doen, was er niet bij. Ik presteerde slecht op school, werd een teruggetrokken puber. Mijn moeders ziekbed was waarschijnlijk ook de reden dat ik geneeskunde wilde studeren. Ik vond het zo onrechtvaardig. In mijn idealisme dacht ik: daar moet ik iets aan doen.”

Zoektocht

„Na mijn moeders overlijden ging het niet goed met me. Ik werd kraker, was eenzaam, gebruikte te veel drugs. Het was een sombere tijd, No Future, en de krakerswereld was geen gemeenschap, maar een verzameling drop-outs. Toen ik wat geld erfde van mijn opa zag ik een uitweg. Met mijn vriendin reisde ik door Azië en Afrika. Ik merkte hoe ontworteld ik was. Geen ouders meer, vaak verhuisd. Ik denk dat ik ook voorzichtig was geworden met vriendschappen, want mensen vallen toch weg. Op de fiets reisde ik alleen door Amerika. Dat was een belangrijke reis, fietsend nam ik afscheid van het verleden.”

Verbintenis

„Ik heb er lang mee geworsteld hoe mijn leven eruit moest gaan zien. Blijven reizen, of me vestigen in Israël, Nepal of Sri Lanka? Er was weinig wat me naar Nederland trok. Toch heb ik bewust besloten terug te gaan. De mensen die ik onderweg trof en die lang op reis waren leken ook niet gelukkig, op de vlucht. In Nederland lagen mijn wortels, daar moest ik het gaan doen. Voor geneeskunde was ik al twee keer uitgeloot. Binnen filosofie trok de medische ethiek, in die tijd speelde de discussie rond euthanasie. Dat vakgebied gaf me het gevoel dat ik iets kon betekenen.”

Dilemma’s

„Er zijn mensen die ethici zien als moderne geestelijken die bepalen wat goed en kwaad is. Ik zie mezelf meer als iemand die helpt tot goed beargumenteerde beslissingen te komen. In het ziekenhuis hadden we ooit een baby die nooit zelf zou kunnen ademen, nooit contact zou kunnen maken. De ouders waren diep religieus en konden zich niet neerleggen bij het onvermijdelijke sterven. Pas maanden later en na tussenkomst van een imam ontstond acceptatie. Tragisch, maar zo’n proces kun je wel zorgvuldig en menselijk begeleiden. Er is bij ethische dilemma’s vaak geen juiste oplossing, er zijn wel goede en slechte argumenten.”

Pleidooi

„Mensen moeten niet lijden onder andermans moraal, dat is mijn rode draad. Vroeger was geneeskunde heel moralistisch. Twee vrouwen die ivf willen? Mocht niet, een kind heeft een vader en moeder nodig. Ik vind dat de keuze aan de patiënt is. Artsen moeten patiënten steunen bij het voeren van regie over het eigen leven. Een arts mag vinden dat lijden louterend is, maar als hij daarom geen euthanasie wil verlenen moet hij doorverwijzen. Bij een ernstig zieke patiënt gaat het niet om de behandelingen die er nog zijn, maar wat nog belangrijk is. Geen chemo, maar wel een staaroperatie om weer te kunnen lezen.”

Onoplosbaar

„Waar ik erg mee worstel is euthanasie bij gevorderde dementie. Mensen maken een wilsverklaring waarin ze zeggen: als ik mijn kinderen niet meer herken wil ik euthanasie. Maar als ze eenmaal zover zijn willen ze vaak niet meer dood. In hoeverre sta je toe dat iemand beslist over de persoon die hij ooit zal worden? In hoeverre hou je rekening met degene die iemand nu is? Ik neig naar het laatste. Een mens met dementie is nog steeds een mens met verlangens en behoeften. Eigenlijk moet je er dus uitstappen als je nog helder bent. Je bent of te vroeg of te laat. Onoplosbaar.”

Acceptatie

„In Azië kwam ik in aanraking met het boeddhisme. Het leerde me dat je naar je eigen emoties kunt kijken zonder ermee samen te vallen. Niet ‘ik ben somber’, maar ‘er is somberte’. Ik begreep dat emoties komen en gaan, dat ik er niet in hoefde te verdrinken. Die les helpt me nog steeds in mijn werk, dat soms heel emotioneel is. Als gespreksleider moet je oog hebben voor emoties, maar je moet diezelfde emoties ook analyseren. Het boeddhisme heeft me gelijkmoediger gemaakt, minder snel boos, met minder sterke meningen. Over sommige dingen dacht ik tien jaar geleden anders, dat zal over tien jaar niet anders zijn.”