Asieldebat werd harder én vrijer

Nederland lijkt minder gastvrij dan vroeger, maar de schrillere toon van de discussie zegt niet alles. Een rondgang.

Deelnemer aan betoging van Pegida, een uit Duitsland afkomstige anti-islambeweging. Foto ANP

Vier bomaanslagen, zeventien brandstichtingen, acht mishandelingen, 38 valse bommeldingen, 95 bekladdingen en 59 dreigbrieven. Dat was de oogst van 1993, het jaar dat de stroom van Joegoslavische vluchtelingen op zijn hoogtepunt was, vertelt migratiehistorica Marlou Schrover van de Universiteit Leiden.

Uitgebrande auto’s zijn voor Nederland dus niets nieuws. Toch zitten we nu midden in een crisissituatie, als we de fractieleiders moeten geloven. „Wij maken ons zorgen over dit klimaat van bedreiging en intimidatie”, schreven zij afgelopen woensdag in een gezamenlijke brief. Ze verwezen naar de incidenten van de afgelopen weken en de grimmige sfeer bij demonstraties en inspraakavonden. De geschiedenis nuanceert deze zorg: in de jaren negentig verliep de opvang van vluchtelingen ook niet altijd vredig.

Toch is er wel iets veranderd sinds 1993. Door de grotere aandacht voor ‘gewone mensen’ in de pers en de opkomst van sociale media hebben boze burgers nu een platform, zegt Schrover. Vroeger namen mensen de moeite lakens te bekladden met ‘AZC nee’; nu kan iedereen vanuit zijn woonkamer typen dat vluchtelingen een bom op hun hoofd verdienen.

Nog een verschil met 1993: de publieke opinie over immigranten is naar rechts opgeschoven. Stond Nederland destijds nog bekend als een progressief en tolerant land, nu is het een stuk minder gastvrij. Uit peilingen blijkt dat een grote minderheid onder de bevolking geen asielzoekers meer wil binnenlaten.

Die harde opstelling weerspiegelt zich in de politiek. CDA-leider Sybrand Buma wil het Vluchtelingenverdrag aanpassen. De Alkmaarse VVD wil asielzoekers een normen-en-waardenverklaring laten ondertekenen. En PvdA-Kamerlid Ahmed Marcouch stelt voor dat vluchtelingen gedwongen kennismaken met het COC (homorechten) en de Opzij (vrouwenemancipatie).

Venijnig debatje

Nederland valt binnen Europa op door zijn harde debat. In België is de storm na een venijnig debatje in september alweer gaan liggen. En in Oostenrijk, dat veel meer asielzoekers opvangt dan Nederland, krijgt het anti-immigratiegeluid een harder weerwoord. Pieter Bevelander, directeur van het Instituut voor Migratiestudies aan de universiteit van Malmö, kijkt met verbazing naar Nederland. „Twintig jaar geleden stonden Zweden en Nederland hetzelfde tegenover asielzoekers”, vertelt hij. „De redenering was: wij zijn een rijk land, we moeten zorgen voor mensen die het zwaar hebben. In Zweden denkt men er nog steeds zo over.”

Jonge mannelijke asielzoekers omschrijven als ‘testosteronbommen’ is in Zweden ondenkbaar, zegt Bevelander. „Als iemand van de Zweden-Democraten (de Zweedse anti-immigratiepartij, FR) zoiets zegt, wordt hij zo de partij uitgegooid.”

Ook Ton Nijhuis, directeur van het Duitsland Instituut, signaleert de hardere toon in Nederland. „In Nederland wordt verwezen naar vluchtelingen als mogelijke verkrachters en terroristen. In Duitsland gaat het over zaken als de Europese verdeling en de bewaking van de buitengrenzen. Het zijn meer praktische vragen dan de angstsemantiek die we in Nederland hebben.” Zowel de media als de politiek zijn netter in Duitsland, zegt Nijhuis. „Rechtspopulistische leuzen wijzen zij unisono af, waardoor groepen als Pegida in de hoek worden gezet.”

Hysterisch

In Nederland is disproportioneel veel aandacht voor de achterban en ideeën van Wilders, vindt voormalig ombudsman Alex Brenninkmeijer. Dat maakt het debat hysterisch. „Hij vertegenwoordigt maar twintig procent van het electoraat. Waar zijn die andere tachtig procent?”

De afgelopen vijftien jaar is het maatschappelijke debat „gestaag geëscaleerd”, mede door de voorliefde van media voor rampnieuws, zegt Brenninkmeijer. „Daardoor schuift de grens van het normale steeds verder op.” Politici spelen daar vervolgens weer op in met extreme standpunten: denk aan de beruchte borstvergrotingen van Zijlstra.

Maar niet iedereen wil code rood uitroepen over het vluchtelingendebat. Herman Vuijsje, de chroniqueur van het politiek correcte denken in Nederland, is positiever. „Dit debat is verre te verkiezen boven de benauwde stilte van jaren tachtig”, zegt hij. „Ik denk niet dat er ooit in de Nederlandse geschiedenis zo’n grote openheid is geweest over zaken waar je eerder niet over mocht praten.”

In zijn boek Correct uit 1998 maakte hij zich nog druk over het ‘verstikkende conformisme’ dat elk Nederlandse debat in de kiem smoorde. Nederlanders zijn bang voor conflict, schreef hij, en daarom durft niemand af te wijken van de heersende ideeën. Die these kan in de prullenbak, want van saaie eensgezindheid kun je op dit moment niet spreken.

We moeten de heftigheid van het debat trouwens ook weer niet overdrijven, zegt Vuijsje. De meeste Nederlanders zijn helemaal niet hysterisch. „Een kleine groep kan in deze twittertijd een enorme aandacht genereren. Vroeger moest je een drol in een doosje doen en dat opsturen, nu zijn een paar klikken voldoende voor het uiten van je onvrede.” Toch stuurt de meerderheid aan op consensus, denkt Vuijsje. „Tussen de Gutmenschen en de lunatic fringe die auto’s in de fik steekt zitten de mensen die willen voortmodderen, die willen dat het op een fatsoenlijke manier wordt opgelost. Dat zal een Hollands debat zijn, een polderdebat, dat gaat over een procentje hier en een procentje daar.”

Snelle integratie

Ook migratiewetenschapper Han Entzinger nuanceert de alarmgeluiden. Ja, de toon is harder dan we gewend zijn. En ja, sociale media spelen een dominante en soms onsmakelijke rol. Maar laten we niet terugverlangen naar de jaren tachtig, toen bepaalde meningen niet geuit mochten worden. Entzinger is het levende voorbeeld van hoe het vreemdelingendebat is verschoven. Tegenwoordig geldt hij als ‘links’: hij pleit voor een snelle integratie van statushouders. In de jaren tachtig, toen hij als WRR-medewerker hetzelfde standpunt verkondigde, leidde dat tot een hoogoplopende ruzie op zijn toenmalige universiteit in Utrecht: pleidooien voor integratie golden toen als rechts. Toch heeft de linkse consensus niet plaatsgemaakt voor een rechtse, vindt hij. „De mensen die vóór opvang zijn schreeuwen wat minder hard, maar hun geluid klinkt wel door in het debat.”

Er zijn belangrijker dingen om je druk over te maken dan de toon van het Nederlandse debat, vindt Entzinger. „Ik maak me veel meer zorgen over de ongelooflijk felle toon in Oost-Europese landen. Kijk naar Polen, waar het anti-immigratiekamp gewonnen heeft. Als dat nog even zo doorgaat, staat er straks een hek om Europa, óf het valt uit elkaar.” Het vluchtelingenprobleem kan alleen in Europees verband goed opgelost worden, zegt Entzinger. Het probleem is dat veel voormalige Oostbloklanden weinig ervaring hebben met immigratie. „Grote delen van Europa zijn nog niet klaar om cultuurverschillen te accepteren. Wij hebben de multicultifase achter ons gelaten, zij hebben hem nog niet eens bereikt.”