Van der Heck: de kleine meester van Alkmaar

Claes Jacobsz van der Heck, Officieren van de Oude Schutterij in een landschap, 1613, olieverf op paneel.

Waar een doorsnee zeventiende-eeuwse schilder zich zoal mee bezighield toont de carrière van Claes Jacobsz van der Heck. In de provinciestad Alkmaar maakte hij schilderijen op paneel en doek, maar ook voor het vervaardigen van wapenschilden, een gildevaandel of een gevelsteen kon op hem een beroep worden gedaan. En, toen het zo uitkwam, zorgde Van der Herck ook voor het verguldsel op de orgeldeuren van de Grote Kerk van zijn woonplaats. Bij een dergelijke veelzijdigheid past ook de handige manier waarop Van der Heck en zijn ateliermedewerkers de productie op peil hielden en composities en motieven ontleenden aan voorbeelden van anderen. Door die werkwijze als invalshoek te kiezen, heeft het Stedelijk Museum Alkmaar een oplossing gevonden voor het maken van een onderhoudende expositie over een kleine meester.

Het vroegst bekende werk van Van der Heck (ca. 1578-1652) stamt uit 1608, maar het is tekenend voor de bekendheid die hij al eerder genoot dat schildersbiograaf Karel van Mander hem al in 1604 vermeldde als een landschappenspecialist. De expositie opent dan ook met een paar grote landschappen, zoals een 170 cm breed schilderij met bosschages, waterpartijen en grillige rotsformaties in de achtergrond. Geschilderd in de gedetailleerde stijl van eerdere Vlaamse landschapschilders heeft Van der Heck het landschap voorzien van allerlei figuurtjes. Een man in een opvallend rode jas in de rechtervoorgrond en een zittende vrouw moeten waarschijnlijk worden herkend als Cymon en Ifigeneia, verwijzend naar een verhaal uit de Decamerone van de Italiaanse dichter Giovanni Boccaccio.

Het ongebruikelijke thema, de omvang en de precieze stijl verraden dat het werk, net zoals bijvoorbeeld een groepsportret van een schutterij in de buitenlucht, is gemaakt voor een specifieke opdrachtgever. Later in zijn loopbaan zou Van der Hecks werkwijze veranderen: niet alleen gebruikte hij kleinere formaten, maar ook snel opgebrachte, dunne verflagen die een hoge productie voor de vrije markt mogelijk maakten. Het succes van de schilder blijkt uit een serie gezichten op het kasteel en de abdij van het nabij gelegen Egmond. Het klooster was weliswaar in 1573 verwoest, maar kennelijk bestond er omstreeks 1640 nog altijd een levendige belangstelling voor.

Dat die niet in eerste plaats katholiek-religieus bepaald was, blijkt wel uit het motief van de vrijende monnik in het koren. Ook in een ander werk van Van der Heck is te zien hoe de Reformatie details in zijn werk bepaalde. Tussen 1616 en 1620 schilderde hij een serie van drie allegorieën van rechtvaardigheid voor de raadszaal van het Alkmaarse stadhuis. Eén ervan toont de justitie van de veertiende-eeuwse graaf Willem de Goede, die een baljuw bestrafte omdat die het zelf niet zo nauw nam met de wet.

Zoals veel vaker ontleende Van der Heck de compositie aan een oudere gravure. Het zegenende gebaar dat een biechtvader in het midden van de voorstelling maakt naar de ter dood veroordeelde ambtenaar, is in het schilderij aangepast. Maar na schoonmaak van het stuk is met het blote oog te zien dat men in het zeventiende-eeuwse Alkmaar liever dan een zegenende hand, een belerend opgeheven vinger zag.