Troost tussen de graven

Het klopt bijna te goed om waar te zijn: een laatste halte genaamd ‘Holy’ met daarnaast een begraafplaats. Een groep mensen stapt juist de receptieruimte in. Op een bordje staat: de begrafenis van de heer Niemandsverdriet.

Verderop op de begraafplaats zit een vrouw op een bankje. Ze heet mevrouw van Campenhout. Ze is op bezoek bij het graf van haar moeder, het is haar sterfdag. Haar vader, haar neef, haar kleinzoon en haar dochter zijn hier ook begraven. Haar kleinzoon pleegde zelfmoord en haar dochter – ze lijkt te twijfelen of ze dit zeggen moet – werd vermoord.

Ik schrik. Wat kun je daar op zeggen, meer dan „Jeetje...? Jeetje, wat is er gebeurd?”

Haar dochter woonde in Londen, was mooi van binnen en van buiten. En te lief. Haar vriend vergokte alles. Toen ze het uitmaakte, draaide hij door. Mevrouw van Campenhout hoorde het op een zaterdagavond. Haar zussen waren op bezoek voor de verjaardag van haar vader. Toen stond de politie voor de deur. Vijf dagen later overleed haar vader.

Ze komt hier elke week. Dat is het fijne van begraven, dat je een plekje hebt om naar toe te gaan. „Ooit zien we elkaar weer”, zegt ze, „dat wil ik geloven.” Ook al weet ze niet zeker of de hemel bestaat.

In het begin gebeurden er vreemde dingen: een opwaaiend tafelkleed, terwijl de ramen en de deur waren gesloten. Vlinders die op haar mans schouder neerstreken. Bepaalde muziek.

Soms keek ze naar buiten, zag mensen die boodschappen deden en dacht: waarom? Alles was zinloos en grijs. Maar dan langzaam begin je weer. Met dingen doen waar je vroeger vrolijk van werd. Wat maakt haar nog vrolijk? „Spullen aanschaffen niet. Spullen hebben geen enkele waarde.” Wat wel? Liefde. En de natuur. In de natuur komt ze tot rust.

Dan zegt ze: „Mijn dochter heette Marguerite... Het is belangrijk om haar naam te blijven noemen.”

Terwijl we luisteren naar de vogeltjes, loopt de begrafenisstoet van meneer Niemandsverdriet voorbij. Dragers met hoge hoeden tillen de kist, daarachter lopen de mensen die van hem hielden. Wij hebben meneer Niemandsverdriet nooit gekend, toch voelt het even alsof we allemaal familie zijn.