Onder de cyclamen tiert de wraakgier

Ook zijn nieuwe roman, een vervolg op Knielen op een bed violen, is een familie-saga. Nu staat niet de godvrezende vader maar de wereldse moeder in het middelpunt. Met de zonen is het niet goed gekomen.

Tekening Paul van der Steen

De meest succesvolle roman van na de Tweede Wereldoorlog is Knielen op een bed violen van Jan Siebelink. Er werden, alleen al in Nederland, ruim 700.000 exemplaren van verkocht. Ook bracht het boek het nodige literaire toerisme teweeg. Heel wat ontroerde lezers reisden af naar de Bergweg 27 in Velp, de plek waar Siebelink opgroeide en waar de kwekerij van zijn vader gevestigd was. Zij wilden met eigen ogen het gat in de heg zien. Daar kropen ooit de griezelige broeders Mieras, Taverne en Ibel doorheen, die Siebelink in zijn roman zo indringend wist te portretteren.

In 2009, bij het verschijnen van de vijftigste druk, merkte Siebelink in een interview op dat er ook wel een keerzijde zat aan het grote succes: „Je komt er niet zomaar overheen.” Hij zat bepaald niet bij de pakken neer en schreef na Knielen op een bed violen nog zes boeken, die stuk voor stuk net iets minder enthousiast werden ontvangen.

Met zijn nieuwe roman, Margje, opent hij vol de aanval op zichzelf, zou je kunnen zeggen, door een regelrecht vervolg te schrijven op de dikke succesroman van tien jaar geleden. De accenten liggen anders en de invalshoek verschilt, maar in grote lijnen vertelt Siebelink met Margje hetzelfde verhaal als tien jaar geleden. Nog altijd een bijzonder verhaal, met aangrijpende en ook ronduit malle kanten, maar er is betrekkelijk weinig nieuws onder de zon.

Ook nu gaat het over een tuindersgezin, aan de Velper Bergweg, dat de eindjes met moeite aan elkaar knoopt, een geïsoleerd bestaan leidt, en veel te verduren heeft van buren, klanten, familieleden en onderwijzers. Tussen de vader en de rest van het gezin botert het steeds minder nadat hij, in een soort visioen, de stem van God heeft gehoord en daarnaar meent te moeten handelen.

Wel doet deze nieuwe roman een stuk eigentijdser aan, omdat hij wat losser gecomponeerd is: kortere hoofdstukken, kernachtiger zinnen, meer witregels, wispelturiger verbanden, minder bijbelcitaten, minder details ook over de rotte tanden, de zalverige praatjes en de vieze kleren van de broeders, meer licht en lucht op de bladzijden. Dat leest prettig weg, al betekent het nog niet dat we met al die losheid op een onbekommerd slot afkoersen. Siebelink heeft zelfs een nogal dramatische apotheose voor ons in petto.

Nurkse kettingroker

De toon is wat lichter omdat de hoofdrol nu niet is weggelegd voor Hans Sievez, de godvrezende bloemenkweker. Hij zorgt nog steeds voor de nodige onrust bij zijn vrouw en twee zoons omdat hij oogluikend toestaat dat de zwart geklede broeders ook nu af en toe door het bekende gat in de heg kruipen. Maar deze keer is hij toch meer een schim op de achtergrond: een zwijgzame, nurkse kettingroker, die steeds vaker verstek laat gaan bij familiegelegenheden. De aandacht gaat hier vooral uit naar moeder Margje en naar Ruben, haar oudste zoon. Was Knielen vooral een vader-zoon-roman, in Margje wordt ingezoomd op de omgang tussen moeder en zoon, die wat de zoon betreft niet innig genoeg kan zijn.

Dat is meteen een van de minpuntjes van deze nieuwe familiesaga: de wat kleffe manier waarop de omgang tussen moeder en zoon wordt beschreven. Als de twee in Velp op de bus naar Dieren stappen, waar de rijke oom Anton woont, dan gaat Ruben zo dicht mogelijk bij moeder zitten. ‘Hij drukte zich tegen haar aan. Een gloeiing trok langs zijn gezicht. Het was of een lauwe wind hem streelde.’

Er zit wel meer van dit soort incestueuze gloeiing in Margje, want ook tussen de broers worden soms kussen en lieve woorden uitgewisseld, terwijl ze elkaar op andere momenten dan weer een flinke loer weten te draaien. En dan is er de steeds terugkerende kwestie van de foto die Ruben vindt in het huis van oom Anton. Op die foto zitten Anton en Margje naast elkaar. Zijn hand ligt op haar knie. Wat speelde er tussen oom en moeder toen zij 21 was en in zijn villa voor zijn huishouden zorgde, terwijl tante in ‘een zenuwinrichting’ zat? Ruben durft het niet na te vragen en houdt het maar bij brave veronderstellingen over uitjes naar Parijs en etentjes in Krasnapolsky. Daar is hij op zijn 74ste, als hij op Oudejaarsavond terugkijkt op zijn leven, nog steeds jaloers op, want hij had ook zo graag een keer met moeder in de Wintertuin gezeten.

Parijs en Krasnapolsky

De grote tegenstelling die Siebelink in Margje steeds opnieuw wil laten uitkomen, is die tussen de vader die zich vooral zorgen maakt om het hiernamaals en de wereldse moeder die door Parijs en Krasnapolsky dartelt en volop geniet van wat ze ziet en proeft. Die tegenstelling komt niet altijd even goed uit de verf en blijft wel eens in gemeenplaatsen steken. Dat kleeft bijvoorbeeld de fietstochten aan die Margje met haar zoons maakt en waarbij er geregeld wordt neergestreken bij ‘een uitspanning’ zodat ze kan trakteren op sorbet.

De vraag is natuurlijk wat de uitkomst is van deze in onderdelen heus wel geanimeerde en op het eind zelfs spannende vervolgroman. Hebben de broers Sievez zich op hun oude dag weten te ontworstelen aan hun benepen opvoeding? Nee. Allebei wonen ze nog steeds in Velp. Allebei zijn ze ongetrouwd en kinderloos. Terwijl de een zich onafgebroken bezighoudt met het schilderen van bloemen, wiedhakken en gieters, om het tuinderswerk van zijn ouders postuum te eren, is de ander enorm in de weer met potten cyclamen voor op het ouderlijke graf.

Onder die ogenschijnlijk zo kneuterige gieters en cyclamen, zo blijkt in het verrassend explosieve slothoofdstuk, gaat veel opgekropte woede, wraakgier en verongelijktheid schuil. De twee broers hadden allebei de uitverkoren zoon willen zijn en menen die ouderliefde met gieters en cyclamen nog steeds te kunnen verwerven. En dan blijft er maar één conclusie over: ook naaste familieleden hebben, ook al durven ze dat niet hardop uit te spreken, lang niet altijd het beste met elkaar voor.