Om ellende heen leven

Ezra van twaalf is zo’n meisje dat voor de spiegel haar meedogenloze blik oefent. Die is onontbeerlijk om te overleven, op het plaatsje tussen de flats, op de kermis of in het winkelcentrum. Daar brengt ze met haar jongere zusje de zomervakantiedagen door. Niet zo’n vrolijke zomervakantie die je doorgaans aantreft in een jeugdboek – Ezra en Zoë doden de tijd, terwijl hun moeder vakken vult en hun vader peuken wegschiet vanaf het balkon van hun flat. De oorlog zit nog in z’n hoofd.

In hun wijk moet papa daar natuurlijk ook telkens aan denken, weet Ezra. ‘Omdat alle mannen snorren hebben en de vrouwen een hoofddoekje. Dat is vragen om problemen.’

In zijn zesde jeugdroman is Derk Visser terug op het terrein waar hij als schrijver excelleert: bij de levensverhalen van meisjes in ontwrichte white-trash-gezinnen. Suikerspin is voor de jeugdliteratuur wat Roxy van Esther Gerritsen is voor volwassenen. Over deze kant van Nederland lees je bij niemand anders zo goed en zo rauw.

Daarvoor heeft Visser (1959) nauwelijks een plot nodig – op papier schept hij mensen, en dat is krachtig genoeg. Alleen al hoe hij Ezra’s vader voor het eerst ten tonele voert: we wisten al dat hem iets mankeert, maar Visser zet hem geenszins als gestoorde neer. Integendeel: papa bekommert zich om zijn dochter. Het maakt hem meer mens dan personage.

Zo zijn er meer verhaaltechnische verleidingen waarvoor Visser niet zwichtte: een cruciale gebeurtenis tussen de getraumatiseerde vader en de slachtofferige moeder speelt zich af buiten beeld. Vissers werk zou je misschien ‘probleemboeken’ noemen, als hij niet van alle effectbejag wegbleef – het traditionele probleemboek had die uitbarsting juist wel getoond.

Visser bagatelliseert niets, maar wordt ook niet zoetsappig. Hij toont hoe Ezra om de ellende heen probeert te leven. Het korte Suikerspin is maar een uitsnede uit haar leven, maar pakkend genoeg om haar echt te leren kennen.