Elke negen jaar even wat menselijke ziel eten

David Mitchell (1969) heeft de gave om verhalen te vertellen waar je binnen een paar bladzijden zo diep in terechtkomt dat je er niet meer uit wilt – zelfs al spelen ze zich, zoals in zijn nieuwe roman, af rondom een eng oud spookhuis. Het heeft te maken met de manier waarop hij zijn hoofdpersonen een eigen stem en eigen verlangens geeft. En die verlangens – van bijvoorbeeld een autistisch aandoende schooljongen, een chagrijnige pasgescheiden politieagent, een onzekere dikke studente – worden dan tijdelijk jouw verlangens. Allemaal zoeken ze liefde, verbondenheid, dingen die je zelf ook al wilde natuurlijk, maar even wil je ze op hun manier.

Héél even dan, want de nieuwe roman van David Mitchell is zijn dunste ooit. Slade House (Doorgang) volgt wel zijn beproefde recept: het is weer een samengestelde roman, een mozaïekvertelling. Zijn succesvolle romans Cloud Atlas (2004, Wolkenatlas) en The Bone Clocks (2014, Tijdmeters), zijn eigenlijk kloeke novellenbundels. Doorgang bestaat uit korte verhalen die Mitchell aanvankelijk wilde opnemen in Tijdmeters, zei hij vorig jaar in een interview in deze krant. Maar die monumentale roman was zónder deze vijf verhalen al een vol boek over liefde, verraad, jaloezie, het literaire wereldje, oorlogsverslaggeving, klimaatverandering – en vooral over de vraag tot welke wreedheden mensen bereid zijn om onsterfelijkheid te bereiken. Letterlijke onsterfelijkheid, welteverstaan.

Uitleg

Ook Doorgang – goed zelfstandig te lezen – heeft weer die expliciete fantasy-elementen. De hoofdpersonen voeren de uit Tijdmeters bekende strijd op leven en dood tegen mensen die een manier hebben gevonden om onsterfelijk te worden: door om de negen jaar een menselijke ziel te verorberen. Deze slechteriken lokken steeds een slachtoffer, door in te spelen op diens behoefte aan liefde en verbondenheid.

Zo’n magisch-realistische plot vereist nogal wat uitleg, en het is niet het sterkste punt van de roman dat de slechteriken zó graag hun eigen slechte slimmigheidjes uitleggen dat ze zichzelf daardoor in gevaar brengen. ‘Ik voel met net zo’n detective die in de slotscène van zo’n whodunit de hele toedracht uit de doeken doet’, zegt een van hen op viervijfde van het boek. Wat grappig is, maar dan heb je je daar als lezer al een paar keer een beetje aan geërgerd, hoe fantastisch Mitchell verder ook schrijft. Want de kracht van Doorgang zit hem niet in de bovenmenselijke elementen, maar juist in de menselijkheid van de personages. Dat is Mitchell op zijn best.