‘Duitslands slechte geweten speelt nu op’

In een weids perspectief schetst de Britse historicus in zijn nieuwe boek de Europese jaren 1914-’49. ‘Fascisme en nationaal-socialisme boden ook iets dat echt nieuw was.’

Ian Kershaw Foto Roger Cremers

‘Ja, de opmerkelijke Duitse gulheid tegenover vluchtelingen heeft veel te maken met de Duitse geschiedenis”, zegt de Britse historicus Ian Kershaw (1943) in de bibliotheek van het Ambassade Hotel in Amsterdam. Kershaw, auteur van een reeks boeken over nazi-Duitsland waaronder Hitler, de beroemde, tweedelige Hitlerbiografie van omstreeks 2000, heeft zojuist de kop ontcijferd op de voorpagina van de NRC Handelsblad van 19 oktober j.l. die hij kreeg voorgelegd: Vluchtelingencrisis leidt tot groeiende nervositeit in Europa.

„Het moreel hoogstaande standpunt dat Merkel nu inzake de vluchtelingenkwestie inneemt, is direct verbonden met de minder hoogstaande Duitse geschiedenis”, zegt hij. „Het slechte geweten van Duitsland speelt op, ja.”

Kershaw is in Nederland wegens de verschijning van De afdaling in de hel (To hell and back), het eerste deel van zijn geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw. In dit boek, waarin hij het tijdvak 1914-’49 behandelt, geeft Kershaw een knap overzicht van de politieke, economische én culturele ontwikkelingen in heel Europa.

De laatste jaren verscheen een stroom dikke boeken over de Europa in de 20ste eeuw. Waarom voegt u er daar nog een aan toe?

„De banale reden is dat Penguin me allang geleden vroeg in de serie boeken over de geschiedenis van Europa de 20ste eeuw voor mijn rekening te nemen. Het is een mooie afsluiting van mijn werk over Duitsland. Het dwingt me nu om het land waardoor ik al heel lang ben gepreoccupeerd, in een ander, breder perspectief te plaatsen. Ik wil een weidser panorama schilderen van Europa dan gewoonlijk waardoor ik zelf ook tot een beter begrip kom.

„Ik wil ook laten zien hoe de tragedie van de twee wereldoorlogen zich stapje voor stapje ontwikkelde. Daarom vertel ik de geschiedenis gewoon chronologisch en niet thematisch. Ook heb ik er persoonlijke getuigenissen in verweven, zodat het boek geen abstracte, afstandelijke analyse is, maar duidelijk maakt hoe Europeanen de ongekende vernietiging ervoeren.”

U besteedt opvallend veel aandacht aan de kleine Europese landen als Hongarije.

„Ja, bij kleine landen denken sommigen nog steeds wat Chamberlain in 1937 zei over Tsjechoslowakije toen hij Bohemen en Moravië weggaf aan nazi-Duitsland: ‘Tsjechoslowakije is een ver land met mensen die wij niet kennen.’ Maar voor de Europese geschiedenis in breed perspectief zijn de kleine landen onontbeerlijk. Door ook die te behandelen, kun je bijvoorbeeld vaststellen dat het grootste deel van Europa al eind jaren twintig niet democratisch was, maar autoritaire regimes had.”

Er zijn historici die de twee wereldoorlogen en het interbellum beschouwen als een dertigjarige oorlog. U niet. Er was geen noodzakelijk verband tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, schrijft u.

„Als je aan het einde van de jaren twintig een Europeaan had gevraagd: ‘leeft u in een voortdurende staat van oorlog’, dan was ‘natuurlijk niet’ het antwoord geweest. Maar ik denk dat historici die spreken van één lange oorlog bedoelen dat er een verband is tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Dit verband zal ik geen seconde ontkennen: de Eerste Wereldoorlog resulteerde in een ‘turbulente vrede’, zoals ik het noem, met zo veel onopgeloste problemen dat een volgende oorlog waarschijnlijk was. Niettemin was er een Hitler voor nodig om de problemen tot een nieuwe oorlog te brengen. En Hitler was beslist niet onvermijdelijk.”

De jaren twintig staan nog steeds algemeen bekend als ‘roaring’ en ‘gay’, met economische voorspoed en culturele vernieuwingen. U laat weinig heel van dit beeld.

„Vooral voor jonge mensen was het einde van de Eerste Wereldoorlog een opluchting. Er werd gefeest, het waren de jaren van de Charleston enzovoorts. Maar het grootste deel van de Europese bevolking had aan alle culturele vernieuwingen part noch deel. Als ze die al opmerkten, dan riepen die vooral weerzin op.

„Ook de economische problemen bleven groot. In de jaren twintig bleef de werkloosheid in Engeland en Duitsland bijvoorbeeld hoog. Duitsland werd bovendien in het begin van het decennium getroffen door hyperinflatie waarvan het pas jaren later was hersteld.

„Een ander punt dat vaak over het hoofd wordt gezien – en dat je pas opmerkt als je ook naar de kleine landen in de periferie kijkt – , is dat een groot deel van Europa nog steeds uit agrarische landen bestond. Daar was al lang voor de Grote Depressie een crisis gaande: de crisis van de landbouw. In grote delen van Europa bewogen veel boeren zich al voor de Wall Street Crash in 1929 naar rechts. Van de grote landen was Duitsland in de jaren twintig in een permanente crisis. De elite en grote delen van de bevolking accepteerden de Weimarrepubliek niet, de democratische orde werd voortdurend uitgedaagd.

„Al voor de Grote Depressie was het, kortom, ‘dansen op de vulkaan’, om met Stresemann, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, te spreken. Toen de Wall Street Crash de Atlantische Oceaan overtrok, bevond Europa zich in een breekbare staat. Dat maakte de crash in 1929 dan ook heel anders dan de bankencrisis van 2008. Toen was Europa veel stabieler.”

Toch schrijft u dat er geen verband is tussen de Grote Depressie en de opkomst van fascisme en rechtse bewegingen.

„In Duitsland was de economische crisis beslist een belangrijke oorzaak van de snel toenemende populariteit van de nazi’s na 1929. Maar Polen en Hongarije hadden al jaren eerder rechts autoritaire regimes gekregen. In Italië hadden de fascisten zelfs al in 1922 de macht gegrepen of gekregen. En in verschillende landen kreeg het fascisme tijdens de Great Depression in de jaren dertig geen poot aan de grond. In Groot-Brittannië is Mosleys fascistische partij altijd marginaal gebleven. En in Nederland is de NSB voor de oorlog ook nooit groot geworden. Alleen in landen met breekbare politieke ordes die kampten met een gebrek aan legitimatie, gaf de economische crisis het laatste zetje tot de ineenstorting.”

Opvallend in uw boek is ook dat u benadrukt dat fascisme en nationaal-socialisme niet anti-modern waren, maar juist revolutionair.

„Ondanks zijn barbaarse en atavistische kanten was het fascisme een alternatieve route naar moderniteit. Fascisme en nationaal-socialisme waren hybrides: ze waren niet alleen reactionair, maar boden ook iets dat echt nieuw was. Hierin onderscheiden ze zich van de rechts-autoritaire regimes. Fascisten wilden de samenleving op revolutionaire wijze veranderen. Dat is iets wat mijn vrienden die linkser zijn dan ik niet graag horen. Voor hen is revolutie een positief begrip dat nooit kan worden verbonden met fascisme. Dat is onzin. Als je, zoals ik, revolutie in neutrale zin gebruikt, dan moet je vaststellen dat de fascisten en nationaal-socialisten de hele samenleving op de schop wilden nemen. Ze streefden naar een Nieuwe Orde met Nieuwe Mensen en ook een nieuwe esthetiek. Dat maakte het fascisme juist zo aantrekkelijk.”

U oordeelt opmerkelijk mild over het fascisme in Italië.

„De paradox van Mussolini is dat hij als enige van de drie grote dictators in het interbellum het totalitarisme heeft gedefinieerd: ‘Alles binnen de staat, niets buiten de staat en niets tegen de staat.’ Maar het fascistische Italië was veel minder totalitair dan Hitlers Duitsland of Stalins Sovjet-Unie.

„Begrijp me niet verkeerd, ik wil de onmenselijkheid van het fascistische regime in Italië niet bagatelliseren, maar anders dan in de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland heeft de fascistische partij de staat nooit compleet beheerst. De greep van Mussolini op de Italiaanse samenleving was dan ook verre van volledig. Ook de terreur en de repressie waren relatief mild. In Franco’s Spanje zijn na 1939 veel meer mensen gevangen genomen en geëxecuteerd dan in Mussolini’s Italië.”

U schrijft dat de ‘afdaling in de hel’ in Europa een breuk met de Verlichting was. Tegenwoordig is het onder historici juist mode om te beweren dat er een rechte lijn loopt van de Verlichting naar Auschwitz.

„Dat heb ik nooit begrepen. Historici beweren dit vaak in navolging van Zygmunt Bauman die in 1989 in Modernity and The Holocaust schreef dat de Holocaust afweek van andere genocides, omdat die industrieel en bureaucratisch was, met de Schreibtischmörder Eichmann aan het hoofd. En bureaucratie is verbonden met moderniteit en moderniteit met Verlichting.

„Maar dit wil natuurlijk niet zeggen dat de Verlichting heeft geleid tot Auschwitz. Zeker, ook nazi-Duitsland had een bureaucratische staat. Maar de bureaucratie was er niet de oorzaak van dat de joden werden vermoord. Daar was een ideologie voor nodig die een eigen dynamiek kreeg en de bureaucratie gebruikte om de Holocaust te organiseren. En de nazi-ideologie van de jodenvervolging kan onmogelijk worden beschouwd als de uitkomst van de idealen van de Verlichting. Die is juist een afwijzing van de Verlichting, de nazi’s wilden de gevolgen ervan ongedaan maken. Hun racisme, de overheersing van de samenleving door één groep, de reductie van mensen tot getallen – ik kan er niets anders in zien dan een complete breuk met de Verlichting.”