Dit seizoen is het onze beurt

Een hartstochtelijk Feyenoordfan fantaseert over de aanstaande zegereeks.

De Kuip zindert van de spanning tijdens de bekerwedstrijd Feyenoord-Ajax, die door de ‘ lucky’ thuisclub met 1-0 werd gewonnen.

Later zal blijken dat dit de Feyenoord-Ajax was die het succesvolle tijdperk inluidde waarin Feyenoord kampioen werd, de beker won en dat daarna nog zeker vijf keer herhaalde.

Te optimistisch? Oké: het blijft Feyenoord, de niet altijd zo best bestuurde club waar altijd wordt gemekkerd dat Ajax en PSV een hogere begroting hebben. De club die een directeur aanstelde om vóór 2018 een nieuw stadion neer te zetten waar nooit iets van terecht kwam. De club van het licht ontvlambare Legioen, met teveel doorgesnoven types die een barokke fontein naar smaak bewerkten, en die een opblaasbanaan op het veld flikkerden zodat de club een Europese wedstrijd zonder supporters moest spelen. Feyenoord-supporters weten dat het altijd een keer misgaat.

En toch geloof ik er weer in. Weet ik dat het deze keer goed komt. Want Feyenoord heeft niet alleen de kwaliteit om mee te spelen voor het kampioenschap. Feyenoord heeft ook een keer geluk.

Mijn club heeft de afgelopen seizoenen heus elftallen met potentie gehad. Het jaar waarin spits/mafkees John Guidetti zich ontpopte tot veel scorende cultheld en met 4-2 van Ajax gewonnen werd had ons seizoen moeten zijn. Maar weer liet het geluk het afweten. Pech met blessures, vaak rolde de bal gewoon net de verkeerde kant op. We werden tweede – gezien de magere jaren reden toch voor een feest.

Wat de ontlading woensdagavond in de overvolle Kuip zo groot maakte, was de manier waarop we wonnen. Lucky als Lucky Ajax. Winnen in blessuretijd door een frommelgoal, ik had niet gedacht dat ik dat ooit mee zou maken – allemaal door een eigen doelpunt dat ik vanaf mijn plaats in vak D niet eens kon zien. Ineens zag ik mensen opspringen. Toen een fractie van een seconde later het gejuich mijn vak bereikte, wist ik dat het goed zat.

Ik hoorde mannen minutenlang kirren van blijdschap. Onbekenden omhelsden elkaar. Het publiek werd beloond voor anderhalf uur ononderbroken gezang en geschreeuw. Er waren geen uitsupporters die we moesten overstemmen, toch viel het Legioen geen moment stil.

Het was als een orgastische ontlading na beroerde seks (de wedstrijd verliep van beide kanten nogal stroef, en het algehele niveau van het Nederlandse voetbal houdt niet over). Een cocktail van onvoorwaardelijke liefde en leedvermaak bracht ons in extase. We geven het niet graag toe, maar de haat voor Ajax zit voor de meesten onder ons net zo diep als de liefde voor Feyenoord. Zo’n zeldzaam lullig eigen doelpunt van de aanvoerder van Ajax voelt net zo lekker als winnen met 4-0.

Ik snap dat dit voor niet-voetbalsupporters onbegrijpelijk is. Waarom haten Feyenoorders die Ajacieden zo? De tegenstelling tussen Amsterdam en Rotterdam werd vorige week in de bijlage van deze krant verkend. Het laat zich in één woord samenvatten: afgunst. De afkeer van Ajax bindt net zo goed als de liefde voor Feyenoord. Op Ajax kunnen we alles projecteren wat ons niet bevalt. Die verwende, arrogante spelers uit het bakfietsenparadijs, die ellendelingen die bij het minste of geringste op de grond gaan liggen en toch steeds kampioen worden.

Maar dit seizoen is het onze beurt. Aan alle voorwaarden wordt voldaan. Laten we ze even langs lopen: een brede selectie, waardoor blessures kunnen worden opgevangen. Een evenwichtige spelersgroep. Strijdlust. Aangevoerd door regisseur Dirk Kuijt maken de mannen niet meer zoveel domme fouten die je vorig seizoen zo vaak zag. Individuele klasse met spelers als Eljero Elia én spelers die alleen nog beter zullen worden, zoals Sven van Beek en Rick Karsdorp.

Het belangrijkste: we hebben geluk. Eindelijk.

Het voelde weer even als 25 april 1999, de dag dat we voor het laatst kampioen werden. Ik weet nog precies ter hoogte van welke boom ik op het Stadhuisplein stond, omringd door 250.000 duizend medesupporters. Ik zet alvast mijn tent op. Bij de huldiging in mei sta ik daar weer.