‘Die langharigen bleken de Rolling Stones’

Dick Nooij over 50 jaar werken in Amsterdams beroemdste sigarenzaak: Hajenius op het Rokin. „Het is mijn huiskamer geworden.”

Foto Pieterjan Luyten, beeldbewerking Nrc

De Rolling Stones. Prins Bernhard. Voetballer Sjaak Swart. Onderwereldkoning Zwarte Jopie. Beatrix en Claus als jong verloofd stel. Drs. P. Hans Wiegel. Jack van Gelder. Arnold Schwarzenegger. De lijst nationale en internationale rokende beroemdheden die Dick Nooij (72) in de zaak heeft gehad, in de halve eeuw dat hij nu voor Amsterdams beroemdste sigarenzaak Hajenius werkt, is lang.

„Dick, hou jij even een oogje op dat stelletje ongeregeld dat nu binnenkomt”, zei de toenmalige eigenaar Nijman van Hajenius tegen Nooij. Het was in de dagen van het ‘langharig werkschuw tuig’ en de Damslapers, dus in de chique sigarenzaak aan het Rokin waren ze op hun hoede toen er een groepje onbekende langharigen in hippe kleding binnenkwam. Jonge bediende Nooij moest ze helpen. „Het waren de Rolling Stones”, vertelt Nooij lachend. „Ze hebben dure Dupont aanstekers gekocht.”

Eind dit jaar stopt Nooij ermee, na 50 jaar. Deze maand nam het achtkoppig personeel van Hajenius alvast afscheid van hem. „Hij is toch mister Hajenius voor de meeste mensen”, zegt bedrijfsleider Ernst Wilmering over Nooij.

Van de honderd jaar dat Amsterdams beroemdste sigarenzaak nu gevestigd is aan het Rokin, in een monumentaal art deco-pand, heeft Nooij de helft van die tijd in de winkel gestaan. Hij werkt nu alleen nog op zaterdag. „Het is mijn huiskamer geworden, de winkel”, zegt Nooij. „Een hele mooie huiskamer”, voegt hij er trots aan toe. „Vijftig procent van onze bekendheid danken we aan ons prachtige interieur.” De kroonluchters, de marmeren toonbanken met een eeuwig vlammetje, de statige houten kasten voor de kwaliteitssigaren met art deco-ornamenten zijn allemaal ontworpen door de architecten Dolf en Jo van Gendt; zonen van architect Adolf van Gendt, die het Concertgebouw en de Stadsschouwburg ontwierp. Het Hajeniusgebouw uit 1915 is nu een Rijksmonument. Niet slecht voor een zaakje dat in 1826 begon als een tabak- en snuifwinkeltje in een hotel aan de Dam.

Hoezeer hij ook van het gebouw en het interieur houdt, Nooijs hart ligt bij de mensen die in de winkel komen. Zoals de 94-jarige vaste klant die elke week een doosje sigaren van het huismerk van Hajenius komt kopen. Die erop staat dat hij een doosje krijgt met de waarschuwingssticker ‘Rokers sterven jong’. En die dan tevreden grinnikend de winkel verlaat.

O ja, er is veel veranderd, vertelt Nooij in een van de gelambrizeerde rookkamers in het Hajeniuspand. „Tegenwoordig komen er veel Chinezen en Russen die dure sigaren kopen. En Amerikanen natuurlijk. Toen ik begon, was Hajenius echt nog een zaak voor de elite. Katholieke zakenlui zoals Vroom & Dreesmann en Brenninkmeijer kochten er goede sigaren. We leverden vrachten sigaren aan kloosters. En de sigaren van ons huismerk die werden hier aan de overkant, achter het Rokin gemaakt. In een sigarenmakerij aan het Gebed Zonder End, waar nu restaurant Kapitein Zeppos zit.” Maar Hajenius is niet langer een zaak voor de elite, leggen Nooij en Wilmering uit: „Wij helpen net zo graag iemand die een sigaar van 1,10 euro koopt als iemand die de duurste sigaar of pijp wil. Wij zijn er voor iedereen die genieten wil.”

Een select aantal vooraanstaande sigarengenieters, zoals Hans Wiegel en topkok Herman den Blijker, hebben nog altijd een eigen kluisje voor hun voorkeurssigaren.

Niet veranderd in al die jaren is de wow-factor van het interieur, zegt Nooij. En zijn liefde voor het contact met klanten. Het plezier in service verlenen. „Als kind, ik ben een van acht kinderen, hielp ik na school al in de woninginrichtingwinkel van mijn vader.” In 1965, na zijn militaire dienst („Ik was ordonnans, in La Courtine”) zocht de 22-jarige Dick Theodoor Nooij werk. Hij liep door de stad, en zag in de etalage van Hajenius een bordje ‘Verkoper gezocht’. Hij werd in de rookkamer ondervraagd. „Ze wilden drie dingen weten. Of ik katholiek was, of ik de handelsschool had, en of ik in Amsterdam woonde. Ik kon op alle drie ja antwoorden. De volgende dag kon ik beginnen.” Nee, de toenmalige eigenaren waren niet katholiek, maar veel klanten toen wel, en dat was handig. Toen hij begon, kon hij twee sigaren van elkaar onderscheiden: een met een bandje en een zonder bandje. Maar al gauw leerde hij van het personeel en ook klanten alles over sigaren en pijptabak. In 1996 werd hij als Maître Pipier in Frankrijk door vakbroeders onderscheiden.

Zijn gouden jaren, vertelt hij, waren zo’n tien tot vijftien jaar geleden, toen hij geregeld mocht aanzitten als ‘mister Hajenius’ bij sigarendiners, die welgestelde klanten organiseerden. Zelf, thuis in Amsterdam-Zuid, rookt hij graag een pijpje. Dat geeft rust, net als de Hajenius senoritas sigaren die hij ook rookt.

Hij gaat van zijn pensioen genieten. Veel fietsen. Luisteren naar zijn favoriete muziek van Ray Conniff. En af en toe langs bij de zaak: „Ik hoop echt dat het Rokin als winkelstraat weer allure krijgt.”