De ‘solistische’ leider van een freakshow

Een sympathiserend boek toont hoe lomp de CD-leider werd behandeld, maar een rehabilitatie is het niet.

CD-voorzitter Hans Janmaat houdt een toespraak, tijdens een demonstratie op 25-2-1996
CD-voorzitter Hans Janmaat houdt een toespraak, tijdens een demonstratie op 25-2-1996 Foto Paul Stolk /ANP

Onder treiteraars van het establishment is het al langer bon ton om te pleiten voor een ‘rehabilitatie’ van Hans Janmaat. De gesmade leider van de Centrum Partij, overleden in 2002, was een ‘visionair’, vindt bijvoorbeeld politicoloog Meindert Fennema. Janmaat probeerde vergeefs een vraagstuk te agenderen, immigratie en integratie, dat inmiddels alom is erkend als een ‘drama’. In plaats daarvan werd hij veroordeeld voor uitspraken die nu schering en inslag zijn, en afgeschilderd als fascist, racist en antisemiet.

In De verschrikkelijke Janmaat probeert Joost Niemöller die beschuldigingen te ontkrachten (antisemitisme en fascisme) of op zijn minst te nuanceren (racisme). Hij deed uitgebreid bronnenonderzoek en kreeg inzage in Janmaats archief en autobiografie en in BVD-verslagen. Onpartijdig is hij niet, Niemöller sympathiseert met de anti-immigratie agenda. Hij sprak met CP’ers van het eerste en het laatste uur, maar mondjesmaat met linkse critici of vijanden van Janmaat (er duikt wel een verdwaalde kraker op, ‘Vincent’).

Maar wie een rehabilitatie van Janmaat verwacht, komt van een koude kermis thuis. De lezer die oog houdt voor de ideologische inzet en accenten van de auteur (zo spreekt hij van ‘etnische volksverhuizing’, waar anderen eerder ‘witte vlucht’ gebruiken voor de trek naar suburbia) houdt een overwegend feitelijke geschiedenis over, waaruit een ontluisterend beeld oprijst van de politicus en persoon Janmaat, die zich allengs vastdraaide in isolement, onmacht en argwaan.

Uiteraard beschrijft Niemöller omstandig hoe lomp en agressief Janmaat werd behandeld door politici, journalisten en ‘antifascisten’, met als dieptepunt de aanval op een hotel in Kedichem (1986), waarbij zijn latere echtgenote een been verloor. Veel is al bekend, beschamend blijft het. Zelfs toegang tot een reünie op zijn middelbare school werd hem geweigerd.

Sommige bewijsstukken melkt Niemöller uit, zoals een geruchtmakend interview in Elsevier in 1994. Janmaat, geroyeerd door de CP en inmiddels lijsttrekker van de Centrum Democraten, vond dat minister Hirsch Ballin moest aftreden wegens zijn afkomst. Antisemitisme! Volgens Niemöller was de tekst gemanipuleerd en een principiële uitspraak van Janmaat tegen antisemitisme weggelaten.

Inderdaad, de letterlijke tekst (opgenomen in het boek) is genuanceerder (en ook warriger) dan de ingedikte weergave in het weekblad. Maar dat Janmaat geen antisemiet was, betekent hier toch vooral dat hij joden niet zag als ‘bijzondere mensen’. De CD wilde niet alleen joodse, maar álle immigranten tot de derde generatie weren uit openbare functies. De kop boven het interview (Een schaap in wolfskleren) suggereerde overigens niet echt een poging tot demonisering.

Huiveringwekkend is Niemöllers gedetailleerde beschrijving van het rechtse Umfeld van de Centrum Partij. Wim Bruyn, directeur van het wetenschappelijk bureau, publiceerde verhandelingen over rassenleer en verdedigde het recht op ‘noodweer’ tegen immigranten. Niemöller spreekt nogal onderkoeld van ‘probleemgevallen’ zoals Yve Graman (brandstichting) en Richard van der Plas (wapenbezit, drugshandel, nazi-sympathieën). Maar hij poetst hun rol niet weg, net zomin als de contacten met de ‘zwarte weduwe’, Florrie Rost van Tonningen.

Op den duur was de Centrumbeweging ‘alleen nog een freakshow’ vol ‘losgeslagen waanzin’. Janmaat was beland in ‘een zompige, soms melige sfeer van neonazisme en flauwekul’. Voor jongeren van de CD, veelal skinheads die er volgens een aanwezige (in een BVD-verslag) uitzagen ‘als een stelletje tuig’ , hield hij in 1989 een praatje, afgesloten met de uitroep dat Janmaat staat voor ‘volk en vaderland’ en een driewerf ‘houzee’.

Wansmaak was een persoonlijke habitus. Uit Janmaats ongepubliceerde autobiografie put Niemöller tamelijk gênante erotische escapades (macht erotiseert, zelfs met één zetel), maar ook een bizar verhaal over het bezoek van een ‘occulte vrouw’ met ‘doordringende groene ogen’, die zich aan hem had voorgesteld als ‘Astare’. Hij gaf haar een foto en twee stukjes vingernagel mee van een rivaal binnen de partij – die prompt kanker kreeg.

Al die treurigheid zal geen pech, of de schuld van het establishment, zijn geweest ook al zal het jarenlange isolement het er niet beter op hebben gemaakt. De gekte zat de partij in de genen.

Niemöller gaat niet in op de overeenkomsten en verschillen tussen de CP en de PVV, maar zijn boek levert aanknopingspunten voor beide. Zo komen we het begrip Umvolkung tegen, de vrees dat de autochtone bevolking, al dan niet planmatig, wordt vervangen door buitenlanders – een apocalyptische overtuiging die nu breed leeft bij radicaal-rechts en doorklinkt in Martin Bosma’s recente boek over Zuid-Afrika. Anderzijds, terwijl CP’ers nog dachten in rassentermen, is sinds Fortuyn ‘cultuur’ het dominante begrip geworden om hiërarchie aan te brengen tussen autochtonen en (niet-westerse) allochtonen.

Kleinburger Janmaat was ‘niet de juiste man op de juiste plaats’, schrijft Niemöller. Tot die conclusie was men binnen zijn partij ook gekomen, maar ‘toen hij er eenmaal zat, was hij niet meer weg te krijgen.’

Warempel, precies waar de CP bang voor was met nieuwkomers.