De sadistische kant van Wolkers heeft een ventiel en ’n luchtbed

Even iets rechtzetten. Vorige week schreef ik op deze plaats over de Kookboekenweek en de toekenning van Gouden Kookboek. Wat ik daarbij over het hoofd zag, is dat er op 7 november een nieuw evenement begint: de Kookboeken7daagse, met de verkiezing van het Kookboek van het Jaar. Voor ik gemangeld word door rivaliserende kookboekenbendes, een anonieme ingrediëntenbrief ontvang of de indruk wek dat ik twee kookboekenweken in één maand adding sausage to red meat vind: ik blijf neutraal. Sterker, ik ben van harte bereid om te bemiddelen tussen de strijdende partijen. In ruil voor eten.

Maar niet in november, want dan vindt een boekenmanifestatie plaats waar niet mee te spotten valt – zeker niet dit jaar: Nederland leest. Tot nu toe werd daarvoor steeds een mooi oud boek afgestoft en onder bibliotheeklezers verspreid in een uitgave die de grenzen van de flodderigheid verkende. (Maar daar zwijgen we over, want bij een gratis digestief in het restaurant beklaag je je niet over de vorm van het glas). Dit jaar is A.L. Snijders gevraagd om een bloemlezing korte verhalen samen te stellen. Bibliotheekmedewerkers kozen er per provincie nog een paar verhalen bij. Zo zijn er dertien bloemlezingen – dertien ja, want er is er ook een ‘voor scholieren’ die zoals u weet in een andere, ongetwijfeld virtuele, provincie leven. De bundels zijn 200 pagina’s dik en staan vol prachtverhalen van Boon, Claus, Nescio, Wiener, Van Essen, Bernlef, Wortel en Heeresma.

De opdracht aan de lezer is duidelijk: lees deze bundel en blijf wekelijks naar de bibliotheek gaan tot u de oeuvres van alle schrijvers hebt geleend. (Die krijgen daar ongeveer een dubbeltje voor, dus u steunt ook de literatuur). Lees vooral de ten onrechte vergeten J.W. Holsbergen (1915-1995), van wie een intrigerend verhaal uit 1965 in de bundel staat: ‘Een koppel spreeuwen’. Dat is alleen al onvergetelijk door de zin die een van de hoofdfiguren uitspreekt over het moment waarop hij kennismaakte met wat hij ‘echte liefde’ noemt: ‘’t was of er een koppel spreeuwen uit m’n reet vloog.’

Ja, bij zo’n zin moet ik ook aan Jan Wolkers denken. Die staat in de Zuid-Hollandse bloemlezing, maar van hem verscheen deze week ook het door biograaf Onno Blom in de nalatenschap gevonden Vakantiestrip, een wat gek vroeg verhaal over twee mannen en een vrouw die met vakantie naar Ameland gaan. Het biedt een spannend en noodzakelijk tegenwicht voor het beeld van Wolkers als televisiegenieke insectenknuffelaar uit zijn laatste levensjaren. Hier zien we, schrijft Blom, zijn ‘sadistische kant’. Dat klopt: hij verzint iets heel gemeens met een ventiel en een luchtbed. Elk goed verhaal bevat een onvergetelijk beeld, in dit geval dat van een ontwaken met een kater: ‘het gevoel of hij een jonge vogel was, die de hele nacht vergeefs geprobeerd had door de schaal van het ei heen te breken.’ Je leest het, voelt aan je hoofd en denkt: verdomd, zo is het.