De ironische columnist Rawie weet je wel degelijk te ontroeren

Jean Pierre Rawie kan eigenlijk niet bestaan. De twee hoofdkenmerken van zijn werk, ironie en romantiek, behoren namelijk niet samen te gaan. De romanticus heeft verheven ideeën over schoonheid en kunst; daar past de knipoog niet bij. Maar het is allang onmogelijk geworden om Schoonheid en Kunst ondubbelzinnig tot het hoogste te rekenen. Wie dat toch deed, had een omweg nodig, zoals het oprechte veinzen van Kellendonk, of de maskers waarmee Gerrit Komrij zichzelf liet zien.

Als dichter is Rawie principieel. Hij schrijft als een 19de-eeuwer, vertolkt de grote gevoelens bij voorkeur in kwatrijnen en terzinen. En, onromantisch genoeg, met buitengewoon succes. De archaïsche, technisch zorgvuldige, fraaie en traditionele gedichten worden verstaan door een publiek dat troost vindt in een gedicht als ‘Insomnia’, dat regelmatig boven rouwadvertenties staat. En daar zit geen greintje ironie bij, of het moest de aan geestverwant J.C. Bloem ontleende titel zijn. Natuurlijk, een kwinkslag mag, soms (‘De paarse tuinbroek’), maar dat gebeurde toch hoe langer hoe minder.

Dat deze ogenschijnlijk wat wereldvreemde, gesoigneerde, tijdloze figuur iets alledaags heeft als een column, is even slikken. Maar de schoorsteen moet roken, en jong sterven zit er, zoals hij zelf al vaststelde, niet meer in. Maar dat die columns vervolgens ook nog gewoon in een bundel terechtkomen, is opmerkelijk. Daar doet het feit dat Mijn ouders hadden één kind en een dochter een mooi verzorgde uitgave is niets aan af.

Als columnist is Rawie dus een stuk minder principieel. Hier wint de ironie, in bijna elk stukje. Er valt veel te lachen – dat wil zeggen: beschaafd gniffelen – om deze stukken. Want geestig is Rawie zeker, zolang hij zich althans niet teveel bezondigt aan woordspelingen. In overwegingen over het koningshuis, religie en de actualiteit, betoont hij zich een klassieke mopperkont, zo iemand die een hekel heeft aan sport, maar er wel net genoeg vanaf weet om de lachers op zijn hand te krijgen: ‘Die invaliden zitten altijd al in het verdomhoekje – ik denk hierbij bijvoorbeeld aan de Olympische scherpschutter Pistorius’. Zo iemand die met verve beweert nooit tv te kijken, maar elk mediacircus wel heeft gevolgd.

Maar mooier wordt Mijn ouders hadden één kind en een dochter wanneer hij schrijft over mensen en zaken die hem bezielen. Dat levert ontroerende portretten op, zoals van medewerkers van de Groningse Universiteitsbibliotheek, of van de melkboer: ‘Het eigenlijke slijten liet hij aan zijn vrouw over; zelf verzorgde hij meer de public relations met zijn klandizie, waardoor menigeen zich hem allereerst als filosoof herinnert.’ Weg is de mopperkont.

Met liefdevolle blik vertelt Rawie over wat hem raakt. Zo nu dan komt hij zelfs in de buurt van de ‘verkapte autobiografie’ die hij de lezer in de inleiding belooft. ‘Kind zijn deed ik met tegenzin’ of ‘Ik lieg al jaren niet meer’. Beginzinnetjes waarvan je hoopt dat ze de opmaat zullen vormen van pagina’s lang herinneren. Hoe persoonlijker, des te meer Rawie op dreef is. Dan is het jammer dat de ruimte na twee bladzijden al weer op was, en ook dat de laatste zinnen vaak minder sterk zijn dan de eerste. Dat laatste geldt trouwens ook voor deze recensie.

    • Toef Jaeger