Column

Blitzkrieg of treuzelen bij een referendum

Hoe zet je een referendum in? De Griekse premier Tsipras koos deze zomer voor een Blitzkrieg: 29 juni de aankondiging op tv, zondag een week later naar de stembus; hij won dik. Het andere uiterste is de Britse premier Cameron. Hij beloofde zijn kiezers begin 2013 een referendum over het Britse lidmaatschap van een hervormde EU – te houden uiterlijk eind 2017. Geen negen dagen voorbereiding, maar bijna vijf jaar. Inmiddels is hij herkozen, is het najaar 2015, maar een referendumdatum blijft uit. Vaart maken heeft voordelen maar betekent kortere onderhandelingen over Britse wensen; het nee-kamp zal de regering verwijten dat het resultaat cosmetisch is, cadeaupapier om een lege doos. Maar bij wachten gaan de Franse en Duitse verkiezingen van 2017 de speelruimte beperken. Dus houdt Cameron zijn opties liever open; nu ja, ook inhoudelijk draait de kwestie om Britse bindingsangst. Wel moest hij onlangs de andere regeringsleiders – geïrriteerd over de vaagheid inzake zo’n wezensvraag voor de Unie – beloven uiterlijk begin november concrete verlangens op papier te zetten. En in Den Haag? Onze politici krijgen volksraadplegingen vooral opgedrongen. In 2005 door de Tweede Kamer over de Europese grondwet, nu door boze burgers over Oekraïne. Blitzkrieg of treuzelen? Moeilijke keuze. Over de timing zei premier Rutte twee weken geleden: graag zo snel mogelijk, maar wij gaan er niet over, dat is de Kiesraad. Als het kon zou Den Haag ook die keuze uitbesteden aan een internationaal hof.

Ook zonder datum komt er in Londen stoom op het referendumdebat. Na het nee-kamp lanceerde het ja-kamp deze maand zijn campagne. Vorige week volgde een lang verwachte interventie. Mark Carney, gouverneur van de Bank of England, hield een vlekkeloze toespraak in Oxford over EU-lidmaatschap en de toezichttaken van zijn bank. Geen academische kwestie; het debat tussen ‘blijvers’ en ‘vertrekkers’ gaat vooral over de economie. Meer of minder Britse banen door de Europese markt? Schaadt de euro de belangen van het pond en van Londen als financieel centrum? Bij zulke vragen heeft de onafhankelijke Bank of England gezag. Wel moet je zulk gezag met zorg aanwenden. Liever geen misstapje in een mijnenveld. Vlak voor het EU-referendum van 2005 zorgde Henk Brouwer van De Nederlandsche Bank voor opschudding toen hij zei dat de gulden bij de euro-invoering was ondergewaardeerd ten opzichte van de D-mark. Zijn baas Nout Wellink en minister van Financiën Zalm kregen de verwarring en het wantrouwen niet meer weggepraat. Mark Carney was vorige week voorzichtig maar glashelder. De Britse economie ontleent sinds twee eeuwen haar dynamiek aan openheid; deelname aan de Europese markt bevordert die dynamiek en groei. Zelfs de eurosceptische pers nam deze conclusie over. Daarentegen noemde Carney de impact van EU-lidmaatschap op de Britse financiële stabiliteit ‘uitdagender’: de extra openheid versterkt de weerbaarheid maar vergroot ook het risico op schokken van buiten, vooral vanuit de eurozone. Dus graag heldere principes om de belangen van niet-eurolanden veilig te stellen en erkennen dat de EU een veel-munten-Unie is. Precies wat Cameron wilde horen.

Overtuigen met economische argumenten in het Britse binnenlandse debat is één ding, de rest van Europa overtuigen jou concessies te doen een ander. Iedereen heeft het Verenigd Koninkrijk liever binnen dan buiten. Maar Berlijn, Parijs, Brussel, Rome en Den Haag zijn nu niet bezig met Europa als supermarkt. Na het stille leedvermaak tijdens de eurostorm hebben de Britten ook ditmaal fijntjes laten weten dat vluchtelingencrisis, buitengrenzen en binnengrenzen niet hun zaak zijn. In zo’n sfeer neemt de kans op misverstanden en ongelukken toe.