Bijgedachten

Ik had een fiets nodig, dus ik ging naar een fietsenwinkel. Niet zo raar. En aangezien er veel Turken en Marokkanen wonen in mijn stadsdeel was het ook niet raar dat de fietsenmaker een Turkse Nederlander was. Tenminste, ik dácht dat hij Turks was — zoals er vanaf het moment dat ik hem aankeek allerlei gedachten in me opkwamen die ons onderonsje een zweverig, moeilijk te duiden tintje gaven.

Enfin, de Turk leidde mij langs zijn tweedehands fietsen. Zijn achterplaats stond er vol mee. Ik zag de lage prijzen en onmiddellijk kwam er een gedachtestroom op gang van het type ‘waar doet ie het van?’ Dat zou ik ook hebben gehad bij een autochtoon, denk ik, maar nu vond ik het ongepast en drukte de gedachten weg.

Met een neutrale blik — dacht ik zelf — voelde ik wat aan sturen en spatborden en de Turk zei: „Alle fietsen staan geregistreerd. Ik verkoop geen gestolen fietsen.”

Pardon? Dacht hij werkelijk dat ik dacht dat hij fietsen heelde?

Lastige situatie. Als nette jongen wil ik niet dat Turken of Marokkanen denken dat ik zulke dingen zou kunnen denken. Zij moeten onmiddellijk de verlichte geest in mij zien. Maar mogelijk dacht hij zulke dingen helemaal niet en was het domweg zijn vaste gewoonte om nieuwe klanten op de integriteit van zijn nering te wijzen. In Amsterdam-Oost worden regelmatig fietsen illegaal verhandeld — enige scepsis is hier op zijn plaats.

Ik durfde verder nergens naar te vragen en ging over op vleien. Waarom weet ik nog steeds niet. Na zijn „ik verkoop geen gestolen fietsen” zei ik: „Natuurlijk niet. Dat zag ik meteen al aan je gezicht.” Ik glimlachte en liet hem de ruimte mijn opmerking als een grap te zien. Hij nam het ernstig op. Met zijn rechterhand op zijn hartstreek boog hij lichtjes voorover.

Ook dat nog. Mijn verlegenheid groeide. Allochtonen die buigen voor autochtonen maken het niet eenvoudiger om Artikel 1 van de Grondwet in de praktijk te brengen, niet eens in een fietsenwinkel. De Turk was kennelijk blij, zelfs dankbaar, dat ik zijn eerlijkheid zo snel had herkend. Of getuigde zijn buiginkje minder van nederigheid dan ik dacht en was het ironisch bedoeld?

Zo dacht ik maar voort, terwijl ik alleen maar een fiets zocht. Die vond ik — en mijn portemonnee was nog niet open of er kwamen twee handhavers de zaak binnengeklost op zware werkschoenen. Of de Turk zijn kasboek wilde tonen. Er borrelde protest in mij op — de handhavers, beiden blank, deden uit de hoogte. Dacht ik.

De Turk had nergens last van. Hij bleef kalm en zelfverzekerd. Zijn kasboek was perfect: bij alle verkochte tweedehands fietsen stonden keurig de namen van aanbieders en kopers.

„Dat maken we wel eens anders mee”, bromden de handhavers. De koffie van de Turk sloegen ze af. Ik vond dat opnieuw onaardig, maar de handhavers hadden geen ingewikkelde bijgedachten, ze kwamen gewoon op een nogal bazig toontje hun werk doen. Hun houding was doeltreffend en simpel — jaloersmakend simpel.