Van al dat Ierse gras is eten te maken

Vijf jaar na de financiële noodsteun is de Ierse economie de snelst groeiende van de EU. Mede dankzij de voedingsindustrie.

Rock of Cashel, Tipperary, Ierland.

Zijn vrienden vonden Richard Cullen een idioot. Eind vorige eeuw, op het hoogtepunt van ‘de Keltische Tijger’, toen tijdens een ongekende periode van economische bloei vrijwel iedereen in Ierland zich richtte op vastgoed, begonnen hij en zijn vader in Dublin een snoepjesfabriek. „Niemand investeerde in etenswaar. Het was gewoon niet cool”, zegt hij. Maar toen de huizenzeepbel in 2008 barstte en de economie instortte, stond de Jelly Bean Factory overeind én groeide.

De geur van aardbeien en frambozen – de smaken die vandaag worden gemaakt – hangt in de fabriek als Cullen trots vertelt over vasthoudendheid. Over de overname door Cloetta, fabrikant van onder meer Venco-drop, vorig jaar. Over de zestig landen waar de jelly beans nu worden verkocht, waaronder Nederland. En Cullen is niet de enige met succes in de voedingssector in Ierland. De export van eten en drinken steeg tussen 2009 en 2014 met 45 procent, oftewel 2,5 miljard euro, sterker dan welke sector ook. Twaalf procent van de export en 8,5 procent van de werkgelegenheid komen uit de landbouw en de voedingsindustrie.

De Googles en de Johnson & Johnsons

Lang was het vooral de export door buitenlandse techbedrijven en farmaceuten die de Ierse cijfers opkrikte. De Googles en de Johnson & Johnsons, die hun Europese hoofdkantoren in Ierland hebben gevestigd. De grote afhankelijkheid van directe buitenlandse investeringen (goed voor een kwart van de economische activiteit) ten opzichte van een futloze binnenlandse groei, baarde zorgen.

Maar hoe Ierland de snelst groeiende economie van de EU is, vijf jaar nadat het een noodkapitaalinjectie kreeg, is mede het verhaal van de landbouw en voedingsindustrie.

„Ierland heeft geen natuurlijke rijkdommen. Maar gras hebben we genoeg, en dat kunnen we in eten omzetten”, zegt Aidan Cotter van Bord Bía, de overheidsinstelling die de landbouw en voedingssector vertegenwoordigt. En Brendan Flood van Enterprise Ireland, de overheidsinstelling die ondernemers bijstaat, zegt: „We kunnen niet op onze binnenlandse markt alleen overleven. Alle groei moet uit export komen.”

Dat besef waren de Ieren even kwijtgeraakt. Vanaf de eeuwwisseling dreef de economie zeven jaar lang op binnenlandse groei, met name op inkomsten uit vastgoed. „Jongeren werden getrokken door wat toen aanlokkelijke banen werden gevonden: de bouw of de financiële sector”, herinnert Cotter zich. Ook de overheidsfinanciën waren daarop gebaseerd. Dus toen in 2008 de vastgoedzeepbel uiteenspatte, in combinatie met een wereldwijde bankencrisis, raakte het land in de problemen.

In diezelfde periode kwam Bord Bía met een nieuwe strategie: de voedingssector moest zich richten op innovatie en sterke merken. Uit het plan: „Guinness doet het goed, maar daar heeft het [biermerk] 250 jaar over gedaan. Kleinere bedrijven kunnen het geld dat nodig is een wereldmerk te worden niet uitgeven tenzij ze een uniek voordeel hebben.”

Dat voordeel is volgens de Ieren groen. Letterlijk: alle belanghebbenden, van boerderijen tot producenten, besloten duurzaam te worden. „Het beeld van Ierland in andere landen was dat we groen waren. Waarom zouden we dat niet bevestigen? We controleerden bedrijven al op voedselveiligheid en dierenwelzijn, waarom dan niet op uitstoot van broeikasgassen, en waterverbruik?”, vertelt Bord Bía-directeur Cotter.

„Inmiddels wordt alles gemeten – herkomst van materiaal, vuiluitstoot, recycling, sociale duurzaamheid, dus wat een bedrijf doet voor de gemeenschap, of het suiker en zout vermindert.” Volgens Bord Bía voldoet 90 procent van de mestveehouderijen en alle zuivelbedrijven aan internationale maatstaven voor duurzame productie. Varkens- en pluimveehouders en 350 voedingsproducenten zullen eind volgend jaar allemaal om zijn.

„Niemand was tegen, sommigen zijn wat langzamer bij de invoer, maar niemand was tegen”, zegt Cotter. Van grote multinationals als Diageo, de eigenaar van Guinness, Jameson Whiskey, Kerry Group, de maker van Cheesestrings, tot Richard Cullens jelly beans.

Bedjes aan het spreiden

Die jelly beans worden, vertelt Cullen, gemaakt van natuurlijk vruchtensap en zonder toegevoegde kunstmatige kleurstoffen of gelatine. Dat maakt de snoepjes duurder, maar een massaproduct wilde Cullen nooit fabriceren. Het duurt twee weken om één smaak te maken. „Uiteindelijk moeten we een traktatie zijn.” De Jelly Bean Factory maakt 14 miljoen snoepjes per dag, waarvan 97 procent bestemd is voor het buitenland. Cullen: „We wisten gewoon dat Ierland te klein was. Vanaf dag één hebben we ingezet op export.”

„Van sommige etenswaren exporteren we 80 procent van wat we produceren”, zegt ook Bord Bía-directeur Cotter. Ook dat is een strategische keuze, niet alleen omdat de eigen afzetmarkt beperkt is. Ierland ziet de middenklasse in Azië groeien, en daarmee de vraag naar vlees en zuivel. „In 2050 is 60 procent meer voeding nodig in de wereld. En onderwijl moet men broeikasgassen verminderen.” Hij zegt dat China voor Ierland de op twee na grootste markt is voor zuivel, met name melkpoeder, en de op twee na grootste voor varkensvlees.

De op één na grootste markt is buurland Verenigd Koninkrijk – een van de redenen waarom de Ieren een Brexit zo vrezen. „We zijn onze bedjes aan het spreiden”, zegt Brendan Flood van Enterprise Ireland. „De ambitie is om steeds nieuwe markten te vinden.” Want een grote afhankelijkheid van de wereldmarkt betekent ook dat het land bij een crash, als zuivel- of vleesprijzen dalen, risico loopt. Cotter: „Veel kunnen we niet doen, behalve zeker zijn dat we onszelf ditmaal hebben beschermd.” Richard Cullen noemt het „een terugkeer naar ons gezonde verstand”: „Wij zijn nu eenmaal een landbouwnatie.”