Maar de perstribune zit zo lekker

Wie onthult het volgende FIFA- of dopingschandaal als journalisten liever naar het scorebord kijken?

Sepp Blatter in juni, toen iemand als protestactie nep-dollarbiljetten over hem heen strooide. Foto Arnd Wiegmann / Reuters 

Sportjournalisten zitten het liefst in een stadion of hal naar hun favoriete sport te kijken. Het merendeel waant zich er onderdeel van, leeft mee en laat in verslagen en commentaren graag een voorkeur blijken. Zo gaat het al sinds mensenheugenis, van Griekse dichters die lyrisch waren over de heldendaden in arena’s tot de huidige generatie.

Maar wat als de grootste wielrenner aller tijden een valsspeler blijkt, en de machtigste voetbalinstantie een frauduleuze bende? Zie je daarover schrijver dan óók als je taak, ook al is er weinig tijd en geld voor, word je van alle kanten tegengewerkt en is onduidelijk of de lezer er wel op zit te wachten?

Dat was de afgelopen vier dagen een overkoepelend thema tijdens het congres Play the Game, in Aarhus. In de op een na grootste stad van Denemarken wisselden onderzoeksjournalisten, wetenschappers, bestuurders en klokkenluiders ervaringen en inzichten uit over misstanden in de sport. Het congres werd al voor de negende keer gehouden – maar net als in voorgaande jaren kwam er slechts een handjevol sportjournalisten op af.

Grof gezegd staan er momenteel twee soorten sportjournalistiek tegenover elkaar. Aan de ene kant de traditionele: wedstrijdverslagen, voorbeschouwingen en interviews rond een toernooi of wedstrijd. Breed uitgemeten op bombastische krantenpagina’s, met schreeuwende koppen en foto’s vol emotie. Aan de andere kant alles wat los staat van het spel zelf: machtswellust, corruptie, doping, omkoping, het waarom van suïcidale en depressieve sporters, extreem gebruik van pijnstillers, seksuele intimidatie, mismanagement.

Het merendeel van de sportjournalisten houdt zijn blik gericht op het scorebord. Onderzoeksjournalistiek is immers minder comfortabel dan een plaatsje op de perstribune. Bovendien is onduidelijk of de lezer het wel wíl weten en het deel van de sportjournalisten dat wel degelijk meer onderzoek wil doen, krijgt daarvoor niet genoeg tijd, ruimte en/of geld van de hoofdredactie.

De slechtste journalist ter wereld

Play the Game-directeur Jens Sejer Andersen stond medio jaren negentig aan de basis van het congres. Hij achtte de tijd rijp voor andere, kritische sportjournalistiek, maar hoongelach werd zijn deel. Zo willen de lezers het nu eenmaal, kreeg hij als antwoord. Andersen:

„Aan zelfreflectie en kritisch vermogen jegens eigen functioneren ontbreekt het bij de meeste sportjournalisten. Wat zij doen, noem ik luie journalistiek. Dus als de lezer er niet om vraagt, doe je het maar niet? Intussen groeit gelukkig het aantal sportjournalisten dat zich wél met onderzoek bezighoudt – en niet zonder resultaat.”

Andersen doelt vooral op het werk van de paar journalisten die grote schandalen blootlegden. De Brit Andrew Jennings bijvoorbeeld, die al jaren schrijft over corruptie bij het Internationaal Olympisch Comité (IOC) en wereldvoetbalbond FIFA, net als de Duitser Jens Weinreich. De Canadees Declan Hill, wiens boek The Fix, over matchfixing, in 21 talen verscheen. De Ier David Walsh, die de wereld als eerste vertelde over het dopinggebruik van Lance Armstrong. De Duitser Hajo Seppelt, die doping in de atletiekwereld openbaar maakte. En de Canadese Laura Robinson, die seksuele intimidatie in het jeugdijshockey aan de kaak stelde.

Zij zijn vrijwel altijd te gast op Play the Game, om er nieuwe ervaringen te delen en te luisteren naar de aanwezige onderzoekers, wetenschappers en bestuurders. Hun werk is loodzwaar: ze worden tegengewerkt, beschimpt en geïntimideerd. Vraag het Jennings, die al twaalf jaar niet meer bij FIFA-persconferenties welkom is omdat hij voorzitter Sepp Blatter kritische vragen stelde. Of David Walsh, die door Lance Armstrong eens „de slechtste journalist ter wereld” werd genoemd in de tijd dat hij zijn dopinggebruik nog vurig ontkende. Walsh schreef er al in 2001 over; Armstrong bekende 12 jaar (!) later.

Kortom: het vergt veel doorzettingsvermogen en een stevige ruggengraat. En het kost veel tijd en geld. De vraag is of een hoofdredactie dat ervoor over heeft. Of stuurt die de sportjournalisten liever naar de andere kant van de wereld om weer een wedstrijd of toernooi te verslaan?

De genoemde onderzoeksjournalisten zijn niet voor niets bijna allemaal zelfstandig en onafhankelijk. Ze kiezen hun eigen onderwerpen en bijten zich er – vaak jarenlang – in vast. Play the Game geeft (morele) steun, doordat de journalisten op het congres over hun onderzoek kunnen blijven berichten en zo hun strijd voort kunnen zetten.

Toen Laura Robinson twee jaar geleden een lezing zou geven over de praktijken en leugens van John Furlong, de organisator van de Winterspelen in Vancouver (2010) die vroeger als gymleraar zijn leerlingen seksueel misbruikt zou hebben, eisten diens advocaten een dag van tevoren dat het onderdeel geschrapt zou worden. Andersen gaf geen gehoor en beriep zich op persvrijheid. En nog voordat de onthullingen over corruptie bij het IOC en de FIFA wereldkundig werden, konden Jennings en Weinreich op Play the Game al hun verhaal doen.

Jacht op vals spel

Maar is de lezer wel geïnteresseerd in de achtergronden van de sportwereld? Wil de sportliefhebber weten dat er gesjoemeld wordt, op het veld en in de bestuurskamers? Zodra een zaak groot wordt, zoals bij Armstrong en dit voorjaar de FIFA, schiet iedereen overeind. Sensatie! Dan zijn ook de sportkaternen te klein, worden voorpagina’s ingeruimd en jagen hoofdredacteuren hun mensen op om op onderzoek uit te gaan. Te laat, want het echte werk is dan al gedaan.

Dick Pound, lid van het IOC en voormalig directeur van het internationale dopingagentschap WADA, is ook altijd aanwezig op Play the Game. Hij benadrukte deze week nog eens hoe serieus de jacht op corruptie en vals spel moet worden genomen. „Er gaat steeds meer geld in om, het prijzengeld gaat steeds meer omhoog, er is een groei van criminalisering, van criminele organisaties, van handelaren. Daar ligt ook een taak voor de sportjournalistiek.”

Het is de vraag hoe serieus de sportjournalistiek de dreigende teloorgang van de sport, als toonbeeld van sportiviteit en integriteit, neemt. Blijft ze liever comfortabel de scores bijhouden, of gaat ze op zoek naar de wereld achter de uitslagen? Om met Jens Sejer Andersen te spreken: „De tijd van luie sportjournalisten is voorbij.”