In New Yorkse Guggenheim probeert Burri grip te krijgen op ware vernietiging

Van een verwoest Siciliaans dorp maakte hij kunst. Het Guggenheim in New York wijdt een belangrijke expositie aan Burri’s werk.

Alberto Burri, Il Grande Cretto (1984-1989, cement, 150×35.000×28.000 cm). Burri veranderde het verwoeste dorp Gibellina op Sicilië in landschapskunst. Na Burri’s dood is het onlangs postuum voltooid. Foto’s Wikipedia

Het grootste werk dat de Italiaanse schilder Alberto Burri (1915-1995) ooit maakte past bij lange na niet in zijn grote Guggenheim-tentoonstelling en daarom mocht de Nederlandse Petra Noordkamp er een film over maken. Daarin draait het om het legendarische dorpje Gibellina (op Sicilië) dat in 1968 volledig werd verwoest door een zware aardbeving.

De overlevenden lieten de ruïnes achter en bouwden twintig kilometer verderop een nieuw dorp, Gibellina Nuova. Dat groeide al snel uit tot hét prestigeproject van het Italiaanse modernisme: kunstenaars Pietro Consagra, Arnaldo Pomodoro en Mimmo Paladino bouwden en planden er mee aan een glorieuze nieuwe toekomst. Maar ondanks die goede bedoelingen trokken de bewoners er al snel weg en staat Gibellina Nuova tegenwoordig vooral bekend als hét voorbeeld van het falen van artistiek idealisme.

Semigeometrische landschapskunst

Alberto Burri echter, werd door de ambitieuze burgemeester gevraagd iets te doen met het oude Gibellina – daarbij hoefde hij niet klein te denken. Dat liet Burri zich geen twee keer zeggen: hij liet de ruïnes strak afvlakken tot een hoogte van anderhalve meter en bedekte de resten vervolgens met cement, daarbij het oorspronkelijke stratenplan intact latend. Het geheel schilderde hij wit. Daardoor ligt er nu een hard, kaal semigeometrisch landschapskunstwerk van 350 bij 280 meter midden in het Siciliaanse landschap, één grote, witte, opengebarsten vlakte. Niet voor niets noemde Burri zijn werk Il Grande Cretto (‘de grote barst’).

Het klinkt allemaal nogal surreëel maar Noordkamps mooie, verstilde film laat zien dat Burri’s project, in al z’n hardheid en ongemak, wel werkt. Tijdens de tocht die we maken aan haar hand dacht ik soms aan Jean Dubuffets Jardin d’Email dat bij het Kröller-Müller in al z’n witheid zo confronterend contrasteert met het landschap. Maar nog vaker aan Peter Eisenmans monument voor de Jodenvervolging in Berlijn, waar kale, sobere stenen (in dat geval in zwart) eenzelfde gevoel oproepen van ongemak, van symboliek en van onbereikbaarheid van het ware leed. Zowel Burri als Eisenman laat zien dat kunst de vernietiging, het leed niet kan herstellen, maar het wel kan transformeren en er een andere, nieuwe, soms zelfs rijkere betekenis aan kan geven.

Kapot

Het mooie aan Noordkamps film is echter dat hij de toeschouwer, bijna bovenaan de Guggenheim-spiraal, ook een nieuwe blik geeft op Burri’s oeuvre – en die kun je op dat moment best gebruiken. Want pfff, wat gaat er bij Burri veel kapot. Niet voor niets noemden de samenstellers de expositie The Trauma of Painting: ze zien zijn oeuvre in de eerste plaats als een afrekening met de gruwelen van de oorlog, met het verlies van Italië en Burri’s eigen rol daarin. Burri streed, aanvankelijk als soldaat, later als arts, mee met de troepen van Mussolini – tamelijk enthousiast zelfs, naar het schijnt. Na de oorlog ‘bekeerde’ hij zich (de vergelijking met zijn Duitse tijdgenoot Joseph Beuys ligt voor de hand) en begon hij kunst te maken waarin hij probeert via vernietiging een nieuwe orde te scheppen.

Net als Beuys gebruikt Burri in zijn schilderijen eenvoudige, ‘aardse’ materialen als teer, jute en staal, die hij vernaait, verbrandt en beschildert in kale kleuren – bijna louter wit, zwart en rood. Altijd blijf je de vlekken, de scheuren, de zomen en de wonden zien, alsof Burri er steeds opnieuw slechts met moeite in slaagt het kunstwerk op de vernietiging te veroveren. Zijn werk roept daardoor associaties op met de elementaire gestes van de abstract expressionisten, met de aardwerken van een kunstenaar als Dubuffet, maar toch is het steeds of er andere dingen op het spel staan: alsof Burri de kunst weer vanaf de grond wilde opbouwen, alsof hij zich hoogstpersoonlijk elke vorm, elke handeling weer eigen moest maken en van nieuwe betekenis moest voorzien. Dat maakt zijn werk (net als dat van Beuys trouwens) af en toe lastig te vatten: net zoals het tegenwoordig bijna onmogelijk is je de situatie in 1945 voor te stellen, blijft ook Burri’s worsteling met een nieuwe kunst soms nogal op afstand.

Grip op de ware vernietiging

Dan komt Noordkamps film precies op het goede moment. Net als je het gevoel begint te krijgen dat Burri’s werk vooral voer voor kunsthistorici is, laat Noordkamp zien hoe Burri op Gibellina probeerde grip te krijgen op de ware vernietiging, hoe hij worstelde met de natuur – en hoe je eigenlijk al zijn werk kunt terugvoeren op de botsing tussen natuur en cultuur.

Daarom zijn de plasticwerken, waaraan Burri begon in de jaren zestig en waarbij hij gaten brandt in grote lappen plastic, ook relatief zwak. Er staat te weinig op het spel, de kracht die Burri hier bestrijdt is te menselijk, te cultureel.

Maar je beseft ook hoe rijk en gelaagd Burri’s laatste werken op de tentoonstelling zijn. Deze ‘Cretti’ zijn schilderijen die direct aan Gibellina doen denken (wat hij later maakte): grote plakken verf die op het doek zijn ‘opengebarsten’ – als craquelé op een oud schilderij, als uitgedroogde modder, maar natuurlijk ook zoals later de aarde van Gibellina. En ineens besef je dat al Burri’s doeken eigenlijk landschappen zijn en dat hij, met al z’n schuldgevoel, met de vernietiging waaraan hij zelf had bijgedragen, zijn hele leven de wereld aan het ordenen, herscheppen en beheersen is geweest – en nooit zeker heeft geweten of hij daarin was geslaagd.