Het imago van gelukzoekers

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Onlangs hoorde ik, op een vliegveld in een tropisch vakantieland, twee Nederlanders discussiëren over wat de vluchtelingencrisis is gaan heten. „Het is walgelijk”, zei een van de mannen, „het zijn gewoon allemaal gelukzoekers.”

Ik stond op een afstandje, maar kon zien dat zijn gezicht enigszins vertrok toen hij het woord gelukzoekers uitsprak. Alsof hij iets smerigs in zijn mond had genomen. Zelf heb ik geen negatieve associaties bij dit woord. Het lijkt mij van groot belang om in je leven geluk na te streven, en avontuurlijkheid bewonder ik.

Maar volgens de Dikke Van Dale heeft gelukzoeker inderdaad voornamelijk een negatieve betekenis. Het zou gaan om ‘iemand die zich met alle (ook oneerlijke) middelen fortuin en aanzien tracht te verwerven’. Als synoniemen vermeldt dit woordenboek: fortuinzoeker, avonturier, goudzoeker.

Kennelijk wordt geluk in deze samenstelling dus in de eerste plaats met aanzien en fortuin in verband gebracht.

Klopt dit met hoe het woord van oudsher is gebruikt? Of heeft het ook een meer neutrale betekenis, voor iemand die bijvoorbeeld op zoek is naar levensgeluk? Naar betere kansen in het leven, desnoods zonder aanzien en fortuin?

Bij mijn weten is gelukzoeker in 1694 voor het eerst aangetroffen, in de titel van het boek De gelukzoeker over zee, of d’Afrikaansche Weg-Wijzer. In dit boek, dat vaak is herdrukt, lezen we over een Nederlandse jongeman die onder meer naar Kaap de Goede Hoop vaart. Al op de eerste bladzijde legt hij uit waarom hij dit boek heeft geschreven. Om zichzelf en/of anderen te stimuleren om „bij tijd en wijle” een „tochtje over zee” te maken, wat soms ook „eenig beter fortuin” kan opleveren.

In dit oudste voorbeeld, over een Nederlander die de boot naar Afrika neemt, zien we dus al de koppeling tussen geluk en fortuin.

Dat veel gelukzoekers in de praktijk niet erg fortuinlijk waren, is na te lezen in oude kranten. Kennelijk schreven die hier graag over – van oudsher houden Nederlanders niet van mensen die hun kop boven het maaiveld uitsteken. Zo lezen we in een krant uit 1744 over een „jongen Geluk-Zoeker” die alles heeft „verknolt”, en in 1745 over een „Gelukzoeker aan de Galg hangende” – vast niet de ontknoping waar deze avonturier op had gehoopt.

Er verschenen zelfs kluchten over gelukzoekers, zoals De gewaande heidin, of de bedrogen gelukzoeker (1746) en De adelyke gelukzoeker (1763). De titels beloven weinig goeds.

Vanaf het midden van de 19de eeuw zie je dat het woord gelukzoeker vaak in verband wordt gebracht met ‘landverhuizing’, zoals emigratie toen werd genoemd. Zo meldde een Nederlandse krant in 1852: „Australië alleen lokt jaarlijks 200.000 gelukzoekers.” Wekelijks vertrokken er indertijd alleen al uit Britse havens ruim 40.000 landverhuizers. Britten dus, die hun geluk wilden beproeven in onder meer Australië en de VS.

Honderd jaar later vertrokken de Nederlanders op grote schaal. Ruim 400.000 Nederlanders emigreerden in de jaren vijftig en zestig naar landen als Australië, Nieuw-Zeeland en Amerika. Geregeld worden zij in berichten over deze emigratiegolf gelukzoekers genoemd, maar vaker emigranten of landverhuizers. Want inderdaad: al veel langer dan mij bekend was heeft het woord gelukzoeker een negatief imago.