Film met droogkomische sneuheid

Drie jaar geleden won Max Porcelijns droogkomische misdaadfilm Plan C twee Gouden Kalveren. Dat debuut, ook door veel recensenten geprezen, volgt Porcelijn nu op met De Grote Zwaen. Veel acteurs uit Plan C keren terug, aangevuld met Michiel Romeyn en cabaretier Peter van de Witte.

Die laatste speelt titelfiguur Gerard F. Zwaen, een nogal pedante schrijver met veel pretenties en weinig succes. Hij is net door zijn vrouw op straat gezet, en heeft door het falen van zijn laatste novelle De spin geldproblemen. Dus kan hij de verleiding niet weerstaan als hij in het huis naast de vakantiebungalow waar hij tijdelijk bivakkeert een tas geld vindt. Bij een schotenwisseling is iedereen omgekomen, dus wat let hem wat bankbiljetten mee te nemen?

Zijn impulsieve daad blijkt grote gevolgen te hebben. Hij wordt achterna gezeten door drie mannen: een drugsdealer (Romeyn), een FIOD-rechercheur (Ton Kas) en een politieagent (Ruben van der Meer) die op zijn beurt al een tijdje de van corruptie verdachte rechercheur volgt.

Zo knipoogt de film, die zich in de jaren negentig afspeelt, naar de IRT-affaire waarbij een iets te innige band bleek te bestaan tussen politie en georganiseerde misdaad. Porcelijn schept er veel plezier in deze schimmige onderwereld te laten botsen met het intellectuele schrijversmilieu waarin de ijdele Gerard verkeert. Eenmaal oog in oog met stapels geld blijft er in de praktijk weinig over van Gerards verheven morele kijk op de wereld.

Net als Plan C is De Grote Zwaen een zwart-komische film die het universum van de gebroeders Coen verplaatst naar Nederlandse lulligheid, met veel bruine interieurs en ontmoetingen in cafés met gekleurde lichtjes en dik tapijt op tafel. Er valt genoeg te gniffelen, maar toch beklijft De Grote Zwaen uiteindelijk minder dan Plan C. Het duurt lang voor het verhaal echt op gang komt en tegenover elke sterke scène staat een zwakkere, die de boel nodeloos ophoudt.