...en de Kamer beet nooit door

Voor het snelle aftreden van staatssecretaris Mansveld (Infrastructuur, PvdA), na publicatie van het enquêterapport, kan begrip worden opgebracht. Hoewel het voor een bewindspersoon in principe de voorkeur geniet om eerst verantwoording af te leggen in het parlement, was dit enquêterapport zó doorspekt met zware politieke oordelen dat een vertrek onvermijdelijk was. Dan is de vraag al gauw niet meer óf men vertrekt, maar wanneer. De eer die nog resteert kan een staatssecretaris dan maar beter zo snel mogelijk aan zichzelf houden.

De erkenning van Mansveld dat ze „dingen niet goed heeft gedaan” en nu de democratische plicht heeft verantwoordelijkheid te nemen, ook voor de (onomkeerbare) beslissingen van haar voorgangers, is onberispelijk en verdient dan ook respect. In die zin heeft het zelfreinigende middel van de parlementaire enquête gefunctioneerd. Dat is, na jaren van slopende Fyra-debatten waarin nooit één harde politieke conclusie is getrokken, een opluchting.

Achtereenvolgende ministers van PvdA, CDA en VVD, die zich met de snelle treinverbinding naar Parijs bezighielden, kunnen zich de zware kritiek van de commissie eveneens stevig aantrekken. Iedere partij en ieder kabinet sinds midden jaren 90 deelt in de politieke schade. De enquêtecommissie acht de volksvertegenwoordiging over deze periode immers regelmatig onvolledig, onjuist en ontijdig (te laat) geïnformeerd. In één geval krijgt een verantwoordelijk minister (Eurlings, CDA) het verwijt de Kamer te hebben misleid. Dat gaat dus ook over betrouwbaarheid en integriteit. Zoiets drukt zwaar op de reputatie van deze oud-politicus. In niet-politieke taal komen de oordelen van de commissie neer op zwijgen, achterhouden, manipuleren en bedriegen.

De Tweede Kamer zelf, waarvan zich in de onderzochte periode 56 verschillende leden met de Fyra bezighielden, komt er ook niet goed vanaf. Wel kritiek leveren, maar nooit doorpakken, is de kortste samenvatting. Er werden goede vragen gesteld, soms zelfs zéér goede, maar de regering kwam uiteindelijk met alles weg. Ook in de democratische controle op de regering stond dus het belang van de reizende burger niet voorop, mag achteraf worden geconstateerd. Het ontbreekt de Kamer niet aan macht, constateert de commissie, maar wel aan de wens om die te gebruiken. Dat is dus een brevet van onvermogen aan het eigen adres. Feitelijk was er sprake van een gebrek aan politieke moed. De vraag ‘lam of leeuw’ die oud-Kamervoorzitter Vondeling in 1976 aan een boek meegaf, is hier niet moeilijk te beantwoorden. Makke schapen waren het. Wel mekkeren, maar nooit de kont tegen de krib.