Alle luxe kwam uit Azië

Schelpen op een stenen plint, Adriaen Coorte (1698 olieverf op papier op paneel)

Een Perzisch kleed op tafel en Chinees porselein aan de muur. Tot diep in de twintigste eeuw ontbraken die dingen haast nooit in een Hollandse huiskamer; zo exotisch als kaneel in de appeltaart. De buitenlandse oorsprong is al bijna vergeten, hoewel niet zo vergeten als die van de appel zelf, die ten slotte oorspronkelijk ook uit China komt. Maar de appel kwam hier via een lange tocht van eeuwen over land, millennia geleden, de kaneel en het porselein waren er in de zeventiende eeuw opeens, pats boem, in grote hoeveelheden, toen de VOC de route over land begon te omzeilen en de spullen zelf ging halen. Binnen een paar decennia was porselein van een wonder waar alleen vorsten uit konden drinken een wonder geworden dat haast iedereen kon bezitten: ook gewone burgers hadden in zeventiende-eeuws Amsterdam ‘Oost-Indische schoteltjes’.

Dankzij de koloniale geschiedenis van Nederland heeft het Rijksmuseum een mooie collectie ‘aziatica’ in bezit, op een eigen afdeling in het museum. Daarop zijn tergend mooie voorwerpen te zien, soms schokkend van eenvoud, zoals een Japans theekommetje uit de zestiende eeuw, waar bescheiden kleur en glans de enige decoratie vormen.

Zo’n theekommetje kom je op de tentoonstelling Azië in Amsterdam. Luxe in de Gouden Eeuw, niet tegen. Want in China en in Japan ging men al snel porselein produceren speciaal voor de Nederlandse markt. Kennelijk kwam hier vooral druk, verhalend porselein in de mode. In Japan noemden ze voor de westerse markt geproduceerd lakwerk ‘namban’, barbaars.

Voor de ‘barbaarse’ smaak was allereerst de nieuwe soort materialen opzienbarend. Dáár zat de luxe. De catalogus vraagt de lezer zich voor te stellen hoe het is om zijde te voelen als je linnen gewend bent, wat voor sensatie dun porselein aan je lippen schenkt als die dik aardewerk verwachten. In de ogen van veel westerlingen was er misschien ook weinig verschil tussen een schelp en een schotel. Allemaal exotica.

Wie de voorwerpen maakte, daarover is de tentoonstelling zwijgzaam. Wellicht is dat noodgedwongen, en is er over die makers niet zoveel bekend. Vreemd is het soms wel, alsof je na een maaltijd de eters prijst en niet de kok. Dat past bij de titel van de tentoonstelling: Er komt in de gouden eeuw luxe uit het oosten, geen kunst.

Nederlanders betaalden slecht

In de Engelstalige catalogus wordt wel in algemene zin over de makers gesproken. De luxe had een prijs, die zelden door de Nederlandse consumenten werd betaald, staat er bijvoorbeeld. „Het meedogenloze najagen van financieel gewin door de VOC ging vaak ten koste van de mensen die deze wonderen maakten of van wie de VOC ze verwierf.” De VOC toont in het Rijksmuseum geen mentaliteit om na te streven. Wat overblijft, is de materie, de kasten, kisten schalen, wiegen, kannen die het Hollandse interieur nog eeuwen een donkere oosterse glans gaven. Fraaie resten van een wreed verleden.

De tentoonstelling hangt ook vol met dingen die wij geen luxe noemen maar kunst: schilderijen. Portretten en vooral stillevens laten de opname van producten uit India, Japan, China en Indonesië in het Nederlandse huis zien. Mannen in ‘Japonse rok’ gekleed, vrouwen met parels, noten op porseleinen schotels, een schilderijtje van Adriaen Coorte met deze keer geen fruit maar schelpen.

De toonzalen van het museum zijn deze keer niet wit of effen, maar behangen met een omfloerst patroon van bloemen of wolken. Het lijkt cadeaupapier voor alle luxe voorwerpen.