Niemand is zichzelf voor de camera

De portretten van August Sander en van Jan Hoek hebben niets met elkaar gemeen. Of toch wel? Het Fotomuseum Antwerpen toont het werk van twee conceptuele fotografen. Door onze redacteur Rosan Hollak

Zeven circusartiesten rondom een grammofoon. Trots, maar misschien ook een beetje wantrouwend, staren ze in de camera, poserend voor de Duitse fotograaf August Sander in de eerste helft van de vorige eeuw. De foto is te zien op de expositie August Sander – Meesterwerken en ontdekkingen in het Fotomuseum Antwerpen (FOMU). Op een andere tentoonstelling in hetzelfde museum staart de 27-jarige Seuri zelfverzekerd in de lens. Zijn portret werd bijna een eeuw later gemaakt door kunstenaar en fotograaf Jan Hoek (1984).

In eerste instantie lijken beide portretten niets met elkaar te maken te hebben. August Sander (1876-1964) begon rond 1922 aan zijn project ‘Menschen des 20. Jahrhunderts’. Met zijn camera probeerde hij de maatschappelijke orde van zijn tijd in kaart brengen. Voor dit sociologische project fotografeerde hij verschillende types uit de samenleving waaronder ‘de Boer’, ‘de Kunstenaar’ of ‘de Grote Stad’ – waartoe ook de circusartiesten behoorden.

Voor zijn project New Ways Of Photographing The New Masai ging Hoek naar Arusha (Tanzania) en fotografeerde daar de Masaï. Omdat leden van dit nomadische volk vaak op dezelfde manier worden gefotografeerd – in het landschap, gekleed in felrode kledij – vroeg Hoek, die een aantal van hen in de stad ontmoette, hoe zij zelf graag op de foto wilden. De 27-jarige Seuri wilde het liefst alleen en vooral niet naakt voor de camera staan.

Op de expositie Shooting Stars – nu dus ook te zien in het FOMU – worden fotoseries van Hoek getoond, waaronder deze Masaï-reeks. Inderdaad lijken beide fotoprojecten nauwelijks overeenkomsten te vertonen, zegt ook curator Joachim Naudts – die met Rein Deslé beide tentoonstellingen samenstelde.

Toch is het geen toeval dat beide fotografen nu samen te zien zijn in het museum. Naudts: „Sander is een klassiek portretfotograaf, maar hij had een bijzondere kijk op de Duitse samenleving. Hij was zijn tijd ver vooruit, zijn portrettenreeks was heel conceptueel: hij fotografeerde geen individuen maar ‘mensentypes’. Dat was revolutionair, mensen waren in die tijd gewend dat hun portret werd genomen, maar dan draaide het om het individu.”

Waarom besloot het FOMU daarnaast het hedendaagse werk van Hoek te exposeren? „We wilden geen fotograaf die overduidelijk refereert aan het werk van Sander, maar we zochten nog een conceptueel denker”, zegt Naudts. Hoek bleek een gepaste keuze. „Zijn fotografie vertrekt vanuit onze blik op de beeldcultuur. Hoek vraagt zich af: hoe zit het eigenlijk met de Masaï? In het Westen hebben wij een stereotiep beeld van dit volk. Maar hoe zien de Masaï zichzelf? Welk beeld willen ze laten zien in plaats van die traditionele poses in kleurige kleding?”

Beiden fotografen spelen dus met de vraag hoe een menstype of bevolkingsgroep overkomt op de kijker. „Alleen hun motief verschilt. Bij Sander was er nog geen sprake van een beeldcultuur. Hij heeft er juist één willen creëren. Hoeks fotografie is een reactie op onze beeldcultuur. Hij laat zien hoe fotografie de toeschouwer op verkeerde ideeën kan brengen.”

Toch is er één wezenlijk onderdeel van de portretfotografie waar beide fotografen geen vat op hebben. Neem Sweet Crazies. Voor deze fotoserie haalde Hoek een aantal dakloze mensen met psychische problemen uit hun eigen omgeving en portretteerde hen in een studio, gezeten op een mooie stoel of nonchalant leunend tegen een zuiltje.

Een van die ‘Sweet Crazies’, gefotografeerd tegen een blauwe achtergrond, kijkt opgewekt de camera in. Hij wéét dat hij wordt gefotografeerd en dus presenteert hij zichzelf – hij neemt zelfs een pose aan. Diezelfde houding zie je terug bij Sanders ‘jonge boeren’, die hij in opdracht al in 1914 vastlegde, maar ook bij ‘de banketbakker’ of ‘de revolutionairen’. Ieder is zich op zijn manier bewust van de camera. En dus laten ze iets van zichzelf zien, staan ze even op het toneel. Geen van allen is in een onbewaakt ogenblik gevangen. Dus wie ze echt zijn? De toeschouwer zal er nooit achterkomen.