‘Ik dans op het scherp van het mes’

In een nieuw stuk van Tom Lanoye speelt de actrice de moeder van een dode zoon, een jihadstrijder.

Viviane De Muynck moest lang nadenken voor ze toestemde om de rol van moeder van een dode jihadstrijder te spelen. Foto Fred Debrock

‘Ik kon ’m wel opvreten”, zegt de vrouw. Ze kijkt verliefd bij de herinnering aan haar kind. En ze vervolgt: „Had ik het maar gedaan.” En ze meent het, een beetje. Actrice Viviane De Muynck speurt onder haar wenkbrauwen de ruimte in, zoals alleen zij dat kan. Een verdrietig roofdier. Het middelpunt van het stuk GAZ, pleidooi van een gedoemde moeder van Tom Lanoye.

Het is het verhaal van de moeder van een dode zoon. Een jihadstrijder. Een jongen die voor de één een beest is en voor een ander het liefste wat zij ooit heeft gekend.

Nog voor het stuk geschreven was, vroegen Lanoye en regisseur Piet Arfeuille aan De Muynck of ze het zou willen spelen. Als er iemand was die deze stille vulkaan gestalte kon geven, dan zij. Maar ze moest lang nadenken voor ze toestemde, want: „Mijn eigen zoon is overleden, twee jaar geleden. In het buitenland. Ik was niet in de buurt. Een ongeval? Ik zal er nooit achter komen wat er precies is gebeurd.”

Ze verdiepte zich in het onderwerp. „Ik hoorde over moeders van Syriëgangers die als paria’s behandeld worden. Dat hebben die mensen niet verdiend. Toen ik de tekst kreeg, vond ik hem meteen erg mooi, maar Tom Lanoye maakte het me niet gemakkelijk. Sommige passages waren zwaar voor mij. Omdat ik respect heb voor deze vrouw, gebruik ik elementen van mijzelf om haar gestalte te geven. Maar de ontroering moet van het personage komen, niet van mij. Ik dans op het scherp van het mes.”

Wilt u een voorbeeld geven van zo’n passage waarbij u dacht: wat moet ik nou?

„Ja, de beschrijving van het dode kind. De dode man die ze moet identificeren. Dat hoef ik niet te spelen, dat kan ik alleen maar zeggen. Ook al is dit niet het verhaal van mijn zoon en mij, ik heb daar gestaan, in het mortuarium. Een moeder kijkt en denkt: hij hoort niet zo. Ze bewaart het beeld van haar kind uit de tijd dat ze hem altijd zag. Maar het kind is weggegaan. Hij is veranderd, ze kent hem niet meer. Zijn vrienden wisten meer van hem dan zij.”

De ondertitel van dit stuk spreekt van een ‘gedoemde moeder’.

„Deze vrouw is gedoemd om te leven met het verlies van haar zoon. Alle liefde is verdampt. Ze verdwaalt in haar herinneringen, op zoek naar momenten waar ze misschien verkeerd reageerde. Ze zegt: ‘Heb ik hem gesmeekt zich niet te bekeren? Nee’. Die gedachte is absurd en doet niet ter zake. Maar zoiets denken, dat kun je niet laten.”

De moeder zegt: ‘Zou ik hem weer op de wereld zetten? Wetend wat ik nu weet? Ik weet het niet’.

„Dat is de ergste zin. Daar is Tom Lanoye zich van bewust. Hij zei, ze is geen heilige, ze moet niet te lief zijn. Het stuk begint open, vol humor vertelt ze over haar strubbelingen met haar puberzoon. En dan komt het moment dat het publiek beseft waar dit verhaal over gaat en zich terugtrekt. Het ziet een moeder in een decor zonder ramen, zonder deuren, zonder houvast. Een bunker. Ik voel dat gebeuren en dat is het moment dat ik moet doorbijten.”

En dat lukt u. Hoe pakt u ons in?

„Met mijn stem. En door duidelijk te maken dat ze nadenkt over wat ze gaat zeggen, maar dat sommige uitspraken haar ontsnappen. Ze beweegt bedachtzaam, alsof ze onzichtbaar wil zijn. En daardoor is ze erg present. Ze is onbedekt, maar toch draagt ze een boerka.”

U gooit zich er helemaal in, dat is uw methode.

„Klopt, dat is mijn methode. Ik speelde Martha in Wie is er bang voor Virginia Woolf en ik schrok van de reacties. Mensen spraken me aan en noemden me vulgair en schaamteloos. Bij de volgende voorstelling hield ik me in. Te veel, zei de regisseur, hij vond me nu te voorzichtig. Ik moest mijn gêne overwinnen. Wat ik te zien gaf, moest geen melodramatisch zelfmedelijden zijn, maar schaamteloosheid in dienst van het stuk. Die grens zoek ik op. Want daar ligt de weg naar de eenvoud.”

De Muyncks agenda zit vol tot en met 2017 – alleen al met stukken die ze nu speelt. Intussen werkt ze aan nieuwe projecten. „Het is een inktvlek die zich uitbreidt. Ik doe ook film en tv en dat vind ik heerlijk. Een camera leest je gedachten. Houdt de camera van je dan kun je je veel permitteren.”

En de camera houdt van u.

„Ja. Al is het wel vaak even schrikken, als ik mezelf terugzie.”

U maakt niet de indruk dat de jaren u drukken.

„Ik werk vooral met mijn hoofd. Hoe ouder je wordt, hoe meer je in die kop hebt zitten: historisch perspectief, indrukken, levenslessen. Ik leerde en dat blijft. Dat maakt een acteur sterker en beter.”

Ik vraag haar naar haar verhouding met de jonge garde theatermakers en ze gniffelt. „Ze vragen me: Wil jij de grootmoeder spelen? Och… er is niks mis met een familieverhaal, maar dat is theater zoals te voorzien en te verwachten, zoals Jan Fabre dat noemt. Je verzandt in realisme.”

Zijn ze misschien beducht voor u?

„Dat denk ik niet. Ik zeg altijd, ik blaf wel, maar ik bijt niet. Veel jonge theatermakers moeten hun taal nog vinden. Het wachten is op de nieuwe generatie.”

Maar die is er toch wel?

„Dat vraag ik mij af.” Waarop Viviane De Muynck de loftrompet steekt over FC Bergman. Een jonge groep. Ze speelde in hun zinsbegoochelende stuk Van den Vos: „Ik heb zo genoten van dat decadente, dat nietzscheaanse. Grote klasse hoor, jongens.”