Boulangerie

In de derde klas van de lagere school kregen we opeens les van meneer Dujardin, die voor de vakantie nog gewoon meneer Van der Tuin had geheten. Het hoe en waarom achter deze naamsverandering kwamen we nooit te weten, maar volgens mijn vader zat er een flinke scheut aanstellerij tussen het vermeende Franse bloed. Hij vond Fransen sowieso nodeloos ingewikkeld, maar dat kwam ook doordat hij de taal niet sprak.

Aan de Amsterdamse Middenweg, hartje Watergraafsmeer, stonden een paar dagen geleden opeens trossen ballonnen op de stoep van een pand dat me niet eerder was opgevallen. Beter zeiden we ‘les ballons’, want er was een ‘boulangerie traditionelle’ geopend. Ze deden dan wel Frans bij ‘Le Perron’, maar feitelijk waren het gewoon net zulke warme bakkers als verderop bij bakkerij Balvert, maar dan van het slag dat geen ‘brood’, maar ‘een eerlijk, betrouwbaar en volwaardig product waar boer, molenaar, bakker en moeder natuur met voldoening aan hebben gewerkt’ uit de oven haalde.

„Eindelijk kunnen wij hier ook een lekker broodje kopen”, zei een buurtbewoner met een kind op de arm haast verontwaardigd blij, alsof hij al jaren in een banlieue woonde. „Hoe loopt het?”

De bedrijfsleidster zei het maar zoals het was: dit was geen buurt, maar een warm bad. „Het is werkelijk ongelooflijk, zo blij en enthousiast de mensen hier zijn.”

Ze liet haar arm zien. „Ik krijg er gewoon kippenvel van.”

Arme bakkerij Balvert, waar ze nog wel begrepen wat je met een half bruin bedoelde. Het deeg daar werd waarschijnlijk op dezelfde manier gekneed, alleen noemden ze het er geen masseren maar ‘hard werken’, en ze waren er waarschijnlijk nog niet zo ver om hun brood te vergelijken met een goede fles wijn of een oude kaas. Brood was gewoon brood, waar je kaas of worst op kon leggen.

Daarmee gingen ze het op den duur niet winnen, want zo’n buurtje was het hier ondertussen wel. Altijd de mond vol over de buurtwinkeltjes, maar als het nog biologischer kon, schoven ze met gezelligheid en al gewoon een paar deurtjes door.

Toen ik aan de beurt was, werd me vriendelijk gevraagd of ze me namens de boulangerie traditionelle iets mochten aanbieden. Dat mocht, natuurlijk, ik ging er al bijna s’il vous plaît van zeggen. Er werd me een schaal onder de neus gehouden.

Een geroosterd stukje stokbrood, typisch Frans, dat wel.

„Met een olijvenschilletje erin.”

Dertig meter verderop noemden ze zoiets nog gewoon een korst.