Bach en Brahms: een curieuze combinatie

Op papier is er van alles voor te zeggen: Brahms’ muziek samenbrengen met die van de door hem bewonderde Bach. Beluister de vrij recente ‘authentieke’ Brahmsen onder John Eliot Gardiner en je hoort diens invloed helderder dan ooit. Maar tussen beide idiomen schuilt ook een stijl- en tijdskloof van anderhalve eeuw en wat op papier een leuk seriethema leek, bleek dit weekend ook een curieuze hybride.

Zelden zal het Koninklijk Concertgebouworkest kleiner zijn geweest dan in de voor de pauze benutte bezetting van slechts veertien musici voor Bachs cantate Nach dir verlanget mich, samen met het Nederlands Kamerkoor.

Dirigent Daniel Harding zocht het in tempocontrasten, maar schurkte in het terzet (een ensemble voor drie stemmen) aan tegen de mogelijkheden van de instrumentalisten. Ook elders was het samenspel niet overal optimaal, wat overigens minder stoorde dan de onnatuurlijke extremiteit van de fortissimi-uitroepen in Jesu meine Freude, die detoneerden als gladiolen in een rozenboeketje.

Harding kreeg na de pauze kans zich te revancheren in Brahms’ Vierde symfonie, maar overtuigde ook daar niet geheel. Het orkest, met de bassen links, speelde fraai, maar grillige tempi vertroebelden zicht op de architectuur en verminderden daardoor de imponerende werking daarvan. Zoveel eigenzinnigheid heeft Brahms niet nodig.